Schotse momenten

 
Donderdag. Ik wandel door het treinstation van Glasgow Central. Tussen de menigte staat een klok, de mensen lopen erlangs alsof de tijd niet bestaat. Stilstaan is toekomstmuziek.
 
Vrijdag. Er is een plan om de dassen te redden. Aan de bezoekers in Hamilton Park wordt gevraagd eventuele waarnemingen te melden aan de infobalie. Ik zie een eekhoorn, schapen, Cadzow runderen en een oude vrouw met blauwe oogschaduw die trots is dat ze een toerist ontmoet. Glimlachend klauter ik in een eik met wratten en bejaarde knoesten.
 
Zaterdag. Op de bus naar Loch Lomond passeren we Levendale. Het parkeerbord in het centrum, free-full, is er analoog. Er moet dus iemand zijn die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het plakkaatje te verschuiven.
 
Het meer begint in Balloch. Je kan er een boottocht maken. "Here you go, love." De o van de ticketdame valt bijna uit haar mond. Door mijn cameralens komen drie honden aanrennen. "Memphis, get back!" roept een vrouw. Ze vraagt of ik student ben, ik zeg toerist. Ik probeer Schots te spreken want dat lijkt me leuk.
 
Ik heb nog een half uur, in de wachtrij staan koppels. Ik vind een lief een warme gedachte en kruip nog wat dichter tegen mezelf. Het Loch is een weerspiegeling, de boot vaart mijn dromen naar de hooglanden.
 
Zondag. De kale man in Buchanan Bus Station herkent me omdat ik de vierde keer inlichtingen kom vragen. Hij glundert, "not you again". De rit naar Pollokshaws duurt vijftig minuten, vertelt hij. Spotting cattle op een zondagochtend is een ideale bezigheid. Hij is er nog nooit geweest en dat vindt hij een schande.
 
Maandag. De werkende man in Glasgow drinkt Caprisone met een rietje. Het geeft hem, vreemd genoeg, sérieux. Zelf trein ik naar Milngavie, Muileann-Gaidh. Daar start de West Highland Way. Het stadsplein is een sprookje. Halverwege de natuur klim ik over een hek om een stuk van de kaart af te snijden. Dertig wilde koeien komen grazen aan mijn voeten. Ik laat mijn hart het moment herkauwen.
 
Dinsdag. Ik verlaat Cumbernauld. Een grijze man met stok schuifelt aan de overkant van de straat en zwaait. Ik kijk links, rechts, links, rechts omdat ik de Britse verkeersregels niet begrijp en steek over. Hij zegt dat hij dat ook deed, backpacken, toen hij 18 was. Hij bleef toen telkens een maand, versierde de lokale meisjes, trok verder als het niets werd. Dat was swipen in de jaren vijftig.
 
In Dundee drink ik thee met een vrouw uit Japan. De straten liggen er even bloot als de verhalen op de keukentafel. Ik slaap bij Franse dames in het huis van James-in-Duitsland. We gaan naar de film, een Spaanse over een olijfboom. Er is ook een Mexicaan in het gezelschap. Onderweg vind ik een stuk van 6 centiemen. De Schotten vonden ooit een lucky penny uit, zegt Camille, om meisjes bij mijlpalen geluk te wensen. Je kreeg dan zo'n munt met het geboortejaar van je moeder erop. Ik koester de mijne want die komt, hoe bijzonder, uit 1961.
 
Woensdag. "Heya, y'should try Arrrbroath smokies." De eerste lift richting Edzell zijn twee vriendinnen, Karin en Robin. Ze houden van praten en mooi weer. We proeven zeelucht, de meeuwen dansen op de wind. Arbroath is een havenstad waar de mensen in de winter ijsjes eten.
 
Een witte haardos, Jim, neemt me mee naar Lunan Bay. Zijn hobby is fietsen en hij vindt dat je je overal thuis kan voelen. Hij gaf jaren les in Engeland. In de camion achter ons zitten James en puberzoon Alex, die verder rijden naar Montrose. Ik mag op de voorzetel kruipen. James is het type ruigheid met baard en Schots accent. Zijn schoonzus woont in Hongarije. Als hij genoeg geld heeft, wil hij een roadtrip door Europa maken. Hij belooft me in België te stoppen. In Montrose haalt Alex, de schat, mijn rugzak uit de laadbak.
 
Het is een kleine stad met een station aan de kust. Er is geen andere weg dan verder. Ik lift naar Brechin, een auto stopt. De zetel is te groot en mijn voeten zweven. Aan de rand neemt een rosse snor het over tot de eindbestemming. "Ik ben er geraakt," stuur ik naar Ann, "ik sta in de Main Street." Ze lacht, Edzell is niet groter dan dat. 
 
We vaccineren schapen in Anns habitat, een pet farm in Dalbog. We poetsen paarden. Een schaap bevalt van een dode tweeling. Er zijn ook koeien, en Napoleon, de stier. Ik tel negen blauwe plekken. De dochters van Martha bakken lemon cheesecake. Anke en ik gaan fietsen met Dot, de jongste viervoeter. Ik weet niet wie ik grager zie, de hond of zij. 's Avonds leren we hoofdsteden, er is geen wifi. We lachen in pyjama, het lijkt op vrijetijdsbesteding. Groenland is een deel van Denemarken, zegt Thomas.
 
Donderdag. Het leven is een droom. De boer zegt dat ik hard kan werken. We staan op om half zeven, wandelen drie kilometer, dippen de rammen. We rijden de quad de highlands in. Er zijn vijf honden op de farm. "You're such a monkey!" roept Peter naar Tig omdat die de zwangere dieren het verkeerde veld in heeft gedreven. Een ooi valt flauw.
 
Mijn lichaam ruikt naar schapenwol. In de weilanden vinden we een stuiptrekkend lam. We geven het antibiotica, maar het is te zwak voor magic potion, de eerste moedermelk. De kans is klein dat het de ochtend haalt.
 
Peter vertelt over de beginjaren van de farm. We slurpen thee om warm te krijgen. Ik knuffel het landschap. Er moeten schapen geteld worden en het weeslam moet nog eten krijgen. Honderd gram melkpoeder, lauw water, een papfles. Het kwispelt opgetogen. Ik doe alsof ik meter ben want dat is een leuke gedachte.
 
Vrijdag. We waren schapenhoeders. Tot ziens, Edzell, ik leef nog even in kwadraat.
Back to Top