Oude kameraden

 
Op de trein tussen Gent en Mechelen stappen twee vakantieheren op. De ene draagt een zomerhoed, de ander een gekleurde zonnebril. Ze gaan verspreid zitten, met het gangpad tussen hen in, omdat meneer Zonnebril een loopwagen heeft. Dat parkeert hij naast zijn en mijn voeten. In de transportmand ligt een gele rugzak met een sleutelhanger aan.
 
Het is avond. Wanneer ik naar buiten kijk, weerspiegelt de zon de ene reflectie in de andere. Die verandert daardoor van kleur, roze en paars terwijl het buiten nog gelig is. Meneer Zomerhoed overloopt de dag. "Plezant he, jong, ik voel mij gelijk helemaal uitgewaaid." Ik vermoed dat de heren naar de zee zijn geweest. Ze lachen, ze zijn in hun nopjes. Meneer Zonnebril strekt langzaam de benen, helemaal tot onder de stoel aan de overkant.
 
"En gij, meiske, gij bent aan het lezen?" Klopt, ja, knik ik glimlachend. Het is een boek van 639 pagina's en ik verslind het. Ik kreuk blaadjes in de hoek om te onthouden waar ik was. Nog zeven verhalen wachten op de boekenplank. Die lees ik later, want eerst moet ik academisch schrijven. De mannen praten verder.
 
Het zijn net twee grote kinderen. "Zeg, René." Meneer Zomerhoed diept een soldatenkoek op, deelt die met zijn vriend en nipt intussen aan een sapje. Hij kijkt op: "Ja, Jos?"
  
(mompelend en kruimelend) "Mag ik bij u komen logeren?"
Back to Top