Voor Gambia

 
"Ik ga in oktober naar Gambia," zei de medestudente afgelopen dinsdag, in de les Etnografisch veldwerk. Ze heet Theresa en ze komt uit Middelburg. Het was koud en nat, we moesten een praktische oefening doen, wij waren partners. "Oh, waarom?" Reizen in Afrika is in onze richting altijd onderwerp van interesse. "Om er mee te werken aan een project voor gehandicapte kinderen en ouderen."
 
Nu hebben wij, zo nu en dan, onze bedenkingen bij grootschalig ontwikkelingswerk. Dat komt door de vakken, het kritisch zijn, de meningen van bepaalde proffen. Maar als we zien dat het goed zit, sja, dan zijn we ook echt opgetogen. Soms mailt Maaike, de secretaresse van de opleiding, over alweer een nieuw project op zoek naar vrijwilligers.
 
Theresa is, zo vertelde ze, vice-voorzitter van Stichting Boukarabou, een Nederlandse non-profitorganisatie die opvang biedt aan gehandicapte kinderen in Gambia. "Zoals in veel Afrikaanse landen heerst daar een taboe rond mindervaliditeit, waardoor de kinderen binnengehouden worden of in erbarmelijke omstandigheden leven. Boukarabou wil een huis bouwen op een groot stuk grond. Er zijn ook plannen voor een biologische bananenplantage en een schapenfarm, zodat het project zelfvoorzienend wordt en elders in het land soortgelijke ideeën kan financieren."
 
De opvang is in eerste instantie op kinderen gericht, maar in de toekomst komen er ook een health center, een naaiatelier en andere voorzieningen voor ouderen. Zo biedt de stichting primaire humanitaire hulp en stimuleert ze zelfredzaamheid. Ze bevordert ook de lokale economieën: onderwijs, jongerenwerk, biologische landbouw en meer.
 
 
Boukarabou werkt met een bestuur in Nederland en een in Gambia. In oktober reist een groep vrijwilligers per jeep naar Afrika om promotie te voeren. En Theresa, lieve stoere Theresa, gaat mee. Ik supporter met al mijn duimen.

Vrienden maken

 
Ze bestaan, de spontane babbelkousen, en ze heten Esther of Anke. De eerste deelde minorvakken en is de leukste veganist van het land. Ik ontmoette haar toen ik voor het allereerst in mijn leven een vak mocht studeren in een gewoon Blandijnlokaal (den Afrikanistiek zit in de kelder, verder in de gang bij een wankelbank). Ze houdt van bijzonder logeren en is nu een bijna-moraalwetenschapster. We smulden samen chocoladetaart.  
 
De tweede is een vriendin van een vriendin en die had gezegd dat zij en ik twee varianten zijn. Woensdag oefenden de machthebbers het brandalarm. Dat gaat ongeveer zo: had je een lange lesdag, sta je net je afwas te doen, wil je erna een douche nemen met natuurlijke macadamiacrème, tuut er plots zo'n ding door de gangen. Hallo, irritatie.
 
Negeren vind ik dan weer overroepen, dus het blijft bij een pruillip en een "Tot straks, warm water," maar dan ben ik natuurlijk ook zo'n sufferd die haar jas vergeet. Het tellen, eens beneden op de parking, moet uiteraard allemaal net wat langzamer, in bibberkou, met in de lavabo nog steeds een bak vol borden. Het deert de kotgenoten van het zesde niet, zij zijn socialer aangelegd.
 
Gelukkig is daar Anke. Zij woont vier etages hoger, drinkt thee, tekent mooie plaatjes en bejubelt slagroompoezen. Ze draagt ook soms zo'n fluobazenvest, van heel echte fluobazenbrandstudenten. "Ik dacht al dat ik je herkende, kameraad!" Ze vraagt naar Veggieworld, ze stuitert over baby-apen in Afrika. Ik vind haar een dotje. En knikken en lachen is zo plezant.
 
Ik ben dus nochtans echt geen kei in spontaneïteit, ik was in groep altijd een schaamtebrok. Het liefst bleef ik achter moeders rok (of broek, ons mama is een broekenvrouw) verstopt tot alle nieuwe mensen een beetje minder nieuw waren. Maar nu maak ik vrienden via vrienden, beneden op de parking bij de brandoefening. En ze komt maandag mijn spiegel bekrabbelen.

Ruilen delen lachen

 
Het vriendinnetje en ik fietsten van Schoten naar Antwerpen en weer terug. Onderweg hielden we plaspauze in het MAS en deelden we gedachten over automatische stoplichten. Zij en ik zijn hergebruikers, haar moeke een fantastische vrouw. Ze maakte van Oxfamflessen een lamp en van oude zetelbekleding straks een handtas. We aten die dag drie maal ontroerend lekker op schommelstoelen. Ik ben er graag. En toen zei het vriendinnetje: "We gaan ruilen!"
 
Al maanden heb ik geen horloge meer. Dat is handig, in Afrika, want grotendeels overbodig, maar op tijd in de les verschijnen is in Gent toch een vereiste. "Maar je hebt toch een gsm?" Ja, die heb ik, een Fairphone zelfs, en op een gsm staat de tijd in een hoekje, maar het gevoel bij een uurwerk vind ik echter.
 
Geen facebookmeldingen, vergeten dates, alarmen op de achtergrond. Kloklezen is voor mij mouwen opstropen, soms met moeite. Frisse wind op blote armen. De wijzers lezen. Zo hou ik van weten hoe laat het is.
  
Het vriendinnetje had geen telefoon, de hare was gesneuveld in een of ander valgevecht. Ik een oude Nokia, zij een klein uurwerk op overschot, nu zijn we allebei gelukkig. En fietsen we allicht nog eens door Schoten om dat te vieren. Ik dacht dat ze niet meer hoger kon, op mijn vriendinnenladder.
 
 
 

Zwijgen en eten

 
Ik slaap in vrieskou met het raam open en sleur overdag vier snotterzakdoeken mee. Om kwart voor zeven droomt de zon nog, de aarde snurkt, alles zwijgt. Wakker worden vind ik het leukste wat er is. Zo voor het leven echt van start gaat, fluistert de wereld: "Goeiemorgen, Kristien."
 
Soms wandel ik naar het water, of helemaal nergens naar, of staar ik naar het plafond en uit het raam. Den Boudewijn ligt gelukkig niet aan de Overpoort. Rechts in mijn gezichtsveld rijdt een vroege trein, links hokken de kippen van de Farmaceutica. Ik bibber, de lappendeken vouw ik tot achter mijn oren. Ik maakte soms de fout niet stil te willen zijn. Muziek riep om gespeeld te worden, taken dansten in mijn hoofd en Meredith Grey huilde wekelijks wel eens het halve ziekenhuis bij elkaar. Vandaag mag hoogstens de radio op, Radio 1. Of Klara, als klassiek die ochtend mooi is.
 
Na vijf minuten schommelstoel slof ik naar de kraan. Aan mijn voeten strelen poezenpantoffels. Die kocht ik na een val van de trap, anderhalf jaar geleden, met blauwe benen, een gekneusde ruggenwervel en een handbeentje in twee. Uit mijn beker drink ik water, het systeem ontwaakt. Ik hoef er voor niemand charmant uit te zien.
 
De Flow van deze maand ligt op de keukentafel. Ik bereid er havermout. Bessen, kokos, dadels, rijstmelk, want veganisme maakt me blij. Het lichaam was ooit de vijand, maar nu fluiten straks de vogels en ik fluit gewoon gelukkig mee. Wanneer de microgolf een piepje tsjilpt, staan stilaan de andere studenten op. Hun dag begint, voor sommigen met katerkop, die van mij is al lang bezig. Zo nu en dan komt de wind op bezoek, ik voel me reusachtig in leven.
 
 

Congo voetbalkampioen

 
"Bonsoir, nous sommes le champion d'Afrique de football, c'est la fête chez nous!" Och god, echt? Dieudonné, mijn maat van antropologie op de campus, facebookt over de stand van zaken. Congo voetbalde en werd kampioen, wat een plezier. Ik herinner me de sfeer, de uitgelatenheid, het gedruis in de straten. Heel even was ik supporter, toen TP Mazembe in Lubumbashi won in alweer een andere wedstrijd.
 
Overal in elk café gingen fans pintelieren. Ik, met mijn fleske mineraalwater, deed gewoon gezellig mee. Expats of andere niet-Congolezen: wie ook maar enigszins voorstander was van de plaatselijke ploeg hoorde er helemaal bij. Ik had een pet, een zwart-witte, met een krokodil erop want dat is het logo van het elftal. Mijn kameraden hopten over de grond en toen klonk het startschot. Rennen maar.
 
Ergens halverwege de namiddag scoorde een van de goeien in het doel van de tegenstander, en tegen het einde nog eens. Jolijt alom, pint en vreugde zegevierden. En nu, in februari, wint Congo het Chan, le Championnat d'Afrique des nations, van Mali. Nog dollere pret. Zet de maskers maar op want 't is er groot feest, voor iedereen. De Léopards zijn helden, hun helden, misschien bijgevolg ook een beetje die van mij.
 
Dus Dieudonné, ik hoera mee, vanuit Gent. Vier jij ook maar lekker verder. En drink er eentje op mijn figuurlijke kosten.
 
 
 
 
Back to Top