Bert en zijn babbeltje

 
Ik huilde vrijdag de hormonen uit mijn lijf. Dat moet, zo nu en dan, want ik ben gewoon een vrouw van vlees en bloed en tranen. Kom je op zo'n baaldag aan in Mechelen, bibber je op een bankje, is de muggenpisregen toch niet zo leuk meer en dan is daar plots Bert.
 
Een mannetje met een sjaal, een sigaret en een plastieken zak onder de luifel aan de grote stationsklok. Hij was een jaar of vijfendertig. "Hallo, ook aan het wachten? Ik heb zin om een babbeltje te slaan, en jij?" He ja waarom ook niet, die metalen stoelen blijven toch maar zo koud. In eerste instantie was hij het die praatte. "Dus, wat brengt je hier?" Wel... "Kotstudent, zie ik." Een laptop en een heenenweerzak wasgoed, kan je niet veel tegen in brengen. "Wat studeer je?"
 
Daar is ie dan, de goeie vraag. Met de glimlach: "Afrikanistiek." Standaardreactie: "Wauw, nog nooit van gehoord." Ja, in Gent geven ze dat. "Wat houdt 't precies in?" Moest ons mama niet onderweg zijn geweest, ik zou 'm een koffietje getrakteerd hebben om een uur te praten.
 
Dus vertelde in het kort met sprankelogen over antropologie, geschiedenis, Swahili en veldwerken. "En eigenlijk ben ik net terug van Congo." Echt? "Ja echt." Ik vertelde verder over snuggere dames en watercoupures en regen en voedselkraamvrouwtjes. Hij was ooit zelf in Ghana geweest, zei hij. Een stukje van hem ligt daar nog steeds. "Prachtig continent he. Zo divers."
  
Ik wilde nog babbelen, maar moest toen door. "Merci, euh..." Bert. "Merci, Bert. Ik ben Kristien. En 't is fijn dat mensen dat doen, zo spontaan zijn. Prettig weekend nog. Tot ziens?"
Hij: "Ja, tot in Afrika!"

In de stationshal

 
De meneer met de klak stond aan de verwarming van Mechelen-Zuid, in de stationshal. Die chauffage was voor mij ook welkom, drie dagen na vier maanden Congo. Hij lachte, het heertje. Hij was een stuk kleiner dan ik, droeg een bescheiden snorretje en sprak met een Albaanse tongval. Het was vroeg in de ochtend.
 
Voor hem op de grond stond een blauwgeblokte boodschappentas. Misschien had hij net, of de avond ervoor, inkopen gedaan. Ikzelf was halfzwaar geladen, ik kwam van Gent en dan van Kalmthout, en zou die dag vijf keer treinreizen. We praatten. We hadden het over de winter, over de zomer en toen ook over Afrika. "Kintsjaasha?" vroeg hij.
 
Neen, Lubumbashi, in het zuiden. Het is daar tweeëndertig graden, soms ook een beetje kouder, de regen ruikt er naar lente. De winkels verkopen er Europese en Afrikaanse producten, avocado's, groter en groener dan die die ik zag in de Colruyt van Ledeberg.
 
"Ie doet het niet," schudde hij het hoofd. De verwarming stelde zichtbaar teleur. Met zijn handje zocht het heertje naar een plekje op de rode buis dat toch wat warmte genereerde. Ergens onderweg glimlachte hij: "Hier, voel."
 
Ik knikte en fezelde een dankuwel. De meneer met de klak hield op met praten. Het volk passeerde, de wereld was stil. Daar stonden we, hij en ik, zwijgend en kijkend, de handen op dezelfde buis in Mechelen-Zuid, vijf minuten en zeven seconden naast elkaar.

Vreemde dromen

 
Ik had vannacht een rare droom. Ik ging naar de winkel om boodschappen. De zaak had een draaideur, zoals in ziekenhuizen en den Delhaize van Mechelen-Noord. ‘t Was geen keten, gewoon een reguliere supermarkt. Stap ik naar de conservenblikken, komt daar toch niet een giraf binnengewandeld zeker. En erachter nog een.
 
"Maak plaats, mevrouw,” zei de verkoper. Graag, want je wil ook geen dispuut met een beest van twee etages hoog. Komen ze hier vaker, meneer? "Wekelijks.” Oh. Zo. Ik haalde m’n schouders op, hij lachte. "In Zambia is dat niet ongewoon.” Aha, ik was in Zambia.
 
Ze droegen geen sacoche of winkelmand, ze waren heel gewoon giraf. Ze kochten ook niks, ze liepen zomaar tussen de patatten en de komkommers naar de versafdeling. Er kwam toen nog een beest binnen. Een alligator.
 
Ik zat toevallig op een kartonnen doos. Zegt meneer: "Madammeke, niet bewegen en rustig ademen.” Vond dat beest het plezant om niet rond, maar door die doos te kruipen, waar ik dus op zat.
Maar het was een bananendoos, en die zijn doorgaans te krap voor uit de kluiten gewassen reptielen. Ik voelde alles onder mij zich langzaam verplaatsen. Probeer dan maar eens rustig te blijven. Gelukkig was daar de koekenplank. Geheel in jackiechanstijl sprong ik van doos naar rek bovenop de mueslirepen. Krokkie wandelde verder, ik haalde adem. En toen was er Nestor.
 
Nestor was groen, geschubd en had vier poten. Een krokodillenkind, niet groter dan een bak tomaten. Hij ontblootte zijn tanden (oh god, die had hij al), kwispelde, sprong tegen me op en blafte. Dan werd ik wakker.

Victoria Falls

 
Ik wou dat mijn ogen penselen waren. Dan konden ze schilderen wat ik me voor altijd wil herinneren. Toen ik vijf was, dacht ik dat als ik maar hard genoeg tegen mezelf zei: "Dit is de mooiste dag van mijn leven," ik het moment nooit meer zou vergeten. De watervallen van Victoria zijn werkelijk werelderfgoed. Ze kletteren. Hun water duikt van de Zambezi naar beneden. Daar spelen ze nog even met de zwaartekracht, om vervolgens te verdrinken in haar stroom gecrashte druppels.
 
Ze zien er zo vrolijk uit. Het lijkt wel of ze blij zijn dat ze mogen vallen. Stukjes nat zeilen op de wind en worden spetters voor zij die er rond staan, dicht genoeg, daar waar de natuur en zij even een zijn, fluisterend van oo en aa en waaw en "Het is toch scheun he." Ze lachen, de mensen. Misschien willen ze ook vallen. Wat verder doen enkelingen een poging, aan een touw, van op een brug die Zambia naar Zimbabwe brengt.
 
Ze kwamen in kudde langs, hele troepen witte, zwarte, bruine, roze en grijze toeristen. Ze waren bucketlijsters en bejaarden, reizigers en voetgangers, de ene al verbrander dan de andere. Maar allen zeiden ze gedag, alsof de afstand tussen mens en mens mee de diepte in tuimelde.
 
De zon kleurt regenbogen, een, twee. Ze aaien het water en gaan er vastberaden doorheen. Ik vraag me af wat ze denken, beide partijen, in die ontmoeting. De vallen konkelfoezen in een taal die voor mij onverstaanbaar is. Boven rusten bavianen, beneden baden rotsen, overal wonen planten, het gras is even groen als aan de overkant.

Naar Afrika

 
In april 2015 zette ik voor het eerst voet op Afrikaanse bodem. Met een visa en twee mannelijke collega's vloog ik naar Cotonou, Benin. Acht dagen later keerde ik weer terug. Het bonsde, dat hart van mij. We gingen op prospectiereis. Ik was piepjong, bachelortweestudent. Stijn, de voorzitter, een rossekop. Philip een spierbundelmilitair. We waren vrijwilliger voor Rock Bujumbura, een organisatie die jongeren in Afrika de kans geeft muziek te maken. We zochten nieuwe partners in West-Afrika en ik mocht gewoon kei echt mee.
 
Ik ontmoette lokaal gitaartalent, jong volk met grote dromen. Ik kiekte geiten, autobussen, camions. Ik beleefde honderd avonturen. De zoektocht bracht ons ook naar Togo. We legden geloof ik 1473 km af. Het was een beetje als plots een online liefde ontmoeten, want ik was en ben Afrikanistiekstudent. Op de Blandijn leer ik over de Bantoes, sociolinguïstiek, antropologie, geschiedenis en nog een hoop meer. Nu moet u weten dat ik een streverke ben, ik praat Swahili in mijn slaap en in mijn schommelstoel. Maar het is ook zo boeiend allemaal.
 
In Togo en Benin werd ik nog een stukje verliefder. Ik woonde ook vier maanden in Lubumbashi, Congo, voor meer studies, veldwerk en een hoop realiteit. Ik kreeg er kriebels in mijn vingers van. Ooit schrijf ik een boek vol kleine verhalen.
 
 
Back to Top