De laatste twintig

 
Ze zeggen dat je, zo ongeveer vanaf je vijfendertigste, elke dag een stukje kleiner wordt. Gelukkig gaat dat traag, in minimillimeters, en met net voldoende voortschrijden van de tijd dat je het eigenlijk niet of nauwelijks merkt. Mijn omaatje was lief. En zacht, in lijf en woorden. En schuifelend. En elke dag werd ze een stukje kleiner en een stukje krommer. Ik vroeg me weleens af waar al die stukjes mens naartoe gingen.
 
Als ik later klein en krom zal zijn, zal ik vertellen over Congo. Hoe het zo lang niet en dan plots vreselijk echt aanvoelde. Hoe ik drie dagen voor vertrek mijn rodekoolrood reispaspoort kwijtraakte (en dat later toevallig ook weer terugvond). Hoe ik veel, maar tegelijk ook niks over Afrika wist. Hoe we aankwamen in zweetweer en hoe ik de eerste weken het allerliefst gewoon weer naar huis wilde.
 
Hoe ik dacht dat het een droom was die dan toch niet de mijne bleek te zijn. Hoe ik hoopte dat het zou voelen als wat op zoveel bucketlijsten staat. Hoe hard ik wilde dat alle vooroordelen niet waar waren. Hoe we ploeterden, hoe we leerden, hoe we nuanceerden. Hoe ik meende dat ik het als Afrikanist toch allemaal veel makkelijker moest vinden en hoe ik nu lach om die gedachte. Hoe ik praatte met Didance, met Jean Ozoza, met Chrispin, met Raf en daar altijd een beetje wijzer en een beetje minder wijs van werd.
 
Ik zal vertellen over hoe op een dag de thermometer 46 graden aanwees en hoe ik daardoor moest denken aan de Ardennenvakantie van ’99, toen het bovenmatig heet was en wij zussenkinders in de Ourthe sprongen en onze lijfjes psssssht deden. Ik zal vertellen hoe leuk het was om schaapachtig in de regen te staan denken aan iets of niets en rare blikken te krijgen en je daar helemaal niks van aan te trekken. En ik zal vertellen hoe ik bissap dronk met Emelien en we een gezamenlijke identiteitscrisis doormaakten omdat de wereld in Lubumbashi intellectueel vernieuwend maar ook onnozel anders is.
 
En dan komt het dichtbij. Drie februari vliegen Louise en ik richting Brussel. De reis zal kort zijn. In Zaventem zullen vrienden en familie wachten: Welkom terug! Zijn we dan echt thuis? "Hoe was het?"
Intens, spreken we af. Soms van de daken schreeuwend leuk, soms heel erg rot, soms huilerig plezant. Bijna altijd warm en heel soms een beetje koud. Ik leerde dat ouderwets mailen veel leuker is dan pingpongchatten, ik hopeloos faal in antistresstechnieken, een fles koud water helpt tegen buikpijn en dat wasverzachter geen overbodige luxe is. Ik spreek beter Frans, slechter Engels, een beetje beter Swahili en enkel nog schrijfnederlands.
 
Mijn hart heb ik er niet verloren. Dat ligt nog steeds ergens in de gezelligste koffiebar van Gent. En misschien ook een beetje in Benin, toen ik voor de allereerste keer naar Afrika reisde. Maar potjandorie, ik ben rijk geworden. Ik was niet (of toch maar een weekend) de safaritrippende toerist, evenmin de liefdadigheidshelper. Ik was halftijds antropoloog, een vierde reiziger, een achtste student en vooral gewoon plantrekker.
 
Dat betekent dat ik niet naar Afrika reisde om bij terugkeer te kunnen prediken hoe arm maar o zo tevreden de mensen er zijn. Het wil zeggen dat ik er woonde en leefde en merkte hoe leeg dat er soms aan toe gaat. Het wil ook zeggen dat ik genoot, lachte, de mooiste momenten beleefde, in bomen klom, fouten maakte, probeerde en opnieuw probeerde.
 
Ik hield van de mango’s en de ananassen vond ik ontroerend lekker, maar de bollen bukari kreeg ik niet verwerkt. Ik zwom bij Ilse in het zwembad en ik vond mezelf eerst een beetje decadent, maar achteraf ook heerlijk gemakzuchtig. Ik maakte plannen om toch vooral te sporten, maar verder dan Linse aanmoedigen van op het grasveld en een enkele buikspieroefening kwam ik meestal niet. Ik voedde een hond op, dronk gemberfrisdrank want dat bestaat, at schattige minicourgetten en viel in slaap op de koude vloer van mijn allereerste eigen appartement.
 
Nog twintig dagen Congo. Dat zijn een snelcursus lessen en examens, vooral te veel drankjes in Le Baobab en allicht een traan omdat het soms bah maar toch ook verdomd leutig was. Saluut en schonen avond, ik ga er hier nog 456 uren van genieten.

Kerst in Congo

 
Ik was die zondag wezen kerstkoffieslurpen, klein geluk in een mok, met een schuimspreuk en een wafeltje en hazelnootsmaak. En achter mij stond een heuse slingerballenboom. Om ontroerd van te worden, want zo nu en dan vergat ik de tijd wel eens. "Bonnes fêtes!” zei de kassierster. Feest? Wie is er jarig? Ah, haha, verontschuldigende glimlach. Juist… het was die periode van het jaar die in mijn hoofd wit en koud is.
 
Van het thuisvolk in Vlaanderen kreeg ik die dagen bericht over breisokken en bibberbenen. In Congo brandde de zon en staken de muggen, je zou van minder verward worden. Ik wist ook helemaal niet dat ik zo’n kerstmismens ben. Ik juich voor pompoenen en bladeren en bossen en regenwandelingen en loopneuzen en chocomelk, ik was altijd een herfstenkind.
 
Ofschoon de winter thuis bleef, genoot ik wel van regenvlagen, steeds harder, steeds meer. "Met Kerstmis is het heel de dag zo!” zuchtte Alain. Hij hoopte vooral op werken tot de avond. Zelf was ik toen ook nog in studeermodus, die maandag na de les trok ik met de klas op de moto naar de markt. Het was een uitstap voor nutritionele antropologie. Ik kocht een rode mango en zei tegen een dame in het Swahili dat haar vis op een slang leek.
 
Op zesentwintig december in Mechelen vieren wij langs moeders kant. Het gaat al jaren zo. We trekken lotjes in augustus. We eten maar net niet te gesofisticeerd. We dansen. We lachen. Wanneer wij in jongere jaren familiefeestten, speelden we met alle kleinkinders verstopperke in de tuin van oma en opa. Beste plekken: achter het duivenkot, de rododendron, de regenton bij de spinazieplanten, de struik op het klein grasveld (plaats voor wel zes paar voeten), het speelhuizeke. En als je een beetje snel was, dan liep je naar de haag aan de composthoop. We pidotten bij de appelboom.
 
Aldus, hiephiep voor nostalgie. Ik maakte kerst gewoon zelf gezellig. Ik skypete met Vlaanderen, bezocht Afrikaanse tantes, huilde mijn hormonen weg bij melige films en ging onnozel supermarktlopen om voor de zevende keer White Christmas te horen.

Bunkeya

 
Op negentien december in Bunkeya, Haut-Katanga, marcheerde een optocht door de straten. De mensen lachen, er is plezier, er zijn dansers, het is feest. Ze zijn op weg naar Mont Nkulu. Die is hoog en heilig en ligt een flink stuk buiten het dorp. De wandelaars puffen, hier en daar rijden auto’s mee. In de massa stappen ook vlaggendraaiers. Hun doeken zijn rood met in het midden een witte bol. De kleuren symboliseren een dag van moed en een van dood.
 
Jaren geleden was Bunkeya een groothandelscentrum, hoofdstad van M’siri’s koninkrijk. Haar inwoners, Bayeke, plukten de vruchten van diens onderhandeling- en veroveringswerk. Aan het hoofd van de verschillende Yeke vazalstaten stonden chef coutumiers. Eind negentiende eeuw groeide de Europese interesse in Bunkeya. Leopold II van België, officieel gezaghebber, zond twee expedities uit naar het paleis van koning M’siri. Die laatste, na overleg met de lokale chefs, accepteerde de Belgische autoriteit niet.
 
Een derde tocht in 1891, onder leiding van William Grant Stairs, was succesvoller: koning M’siri, nog steeds weigerend, werd vermoord door Omer Bodson. De legende vertelt dat M’siri niet zomaar te doden was. Hij kon zich op eender welk moment in een onschendbare leeuw veranderen. Marida Alfonsica, Msiri’s tweede vrouw, verried het geheim. De veroveraars moesten zijn hoofd afhakken, pink afsnijden en de koord om zijn buik doorknippen. Boven de troon in de koninklijke vertrekken in Bunkeya is nog steeds een leeuw geschilderd.
 
Na de dood van de koning stortte de politieke stabiliteit in elkaar. Prins Mukanda Bantu wreekte zijn vader, vermoordde Bodson en werd door de Belgische machthebber aangesteld als M'siri's opvolger, maar hij kreeg weinig eigenlijk zeggenschap. Pas in de late twintigste eeuw verbeterde de leefsituatie in Bunkeya weer geleidelijk.
 
Op negentien december in Bunkeya, Haut-Katanga, lopen meisjes met staartjes en meisjes zonder staartjes naast meisjes die zwijgend genieten van de inspanning. Ze passeren een kliniek, een universiteit, de weg naar de tombe van Bodson.
 
De optocht naar de berg trekt nieuwsgierigen aan. Schoolkinderen rennen, moeders kraaien, askari’s (soldaten) schateren. Slippers en sportschoenen wandelen naast sandalen en blote voeten. Aan de voet van Mont Nkulu staan troms. De weg kronkelt naar boven langs grote bomen en groene planten. Daar zal een rite het verleden herdenken. Centraal in de menigte danst de stoel van Mwami (chef) Godefroid Jr, nazaat van koning M’siri.
 
De rest van de dag worden nog drie geiten, een kip en twee manden meel geofferd, een schorpioen gevonden, kibuku gestookt, familie bezocht, woorden in plaatselijk Kisanga geleerd (Kyungulomuane, goedenavond en Eomuanetuasante, het antwoord), bomen beklommen, een ontmoeting met de Mwami geregeld, een onbekend insect bewonderd, over de markt gewandeld, natuurlijke lijm gevonden, knuffels en snoepjes beloofd.
 
Op negentien december in Bunkeya was ik deel, en ook weer niet, van het gebeuren. Dat ging ongeveer zo: boven na de ceremonie rust ik uit op blote voeten. Het landschap is magnifiek, de verte vol vlaktes. Ik zie bomen en bergen en planten, ik ruik natuur en regen en frisse lucht. Ik adem en reflecteer en mijmer en leef.
 
 
 
 
 

Een Bayeke geschiedenis

 
"Mijn naam is Alain-René Nday Kabelo, zoon van Kitanika Kasongo Thérèse, kleinzoon van Kapapa Mukanda Bantu." Democratische Republiek Congo, Katanga, Lubumbashi. Het was november 2015 en eindelijk wat frisser. "Ma grand-mère ne mange pas de poisson," zei Alain in de zetel van de zusters. Daar verbleef ik. Hij was vierendertig en mijn gids, ik eenentwintig en onderzoeksstudent. We praten vandaag over zijn afkomst. Het verhaal begint met een halfvegetarische grootmoeder in Bunkeya.
 
"Elle faisait partie du Bayeke." Ik zie dat hij trots is. Ergens lang geleden woonde ene meneer M’siri in Royaume Bulevu, het huidige Tanzania. Het koninkrijk splitste op in twee groepen, M’siri’s vader werd vazal van de groep die zich afscheurde. Hij ging met zijn zoon vaak op ivoorhandelsreis naar Katanga, destijds gedomineerd door verschillende chefs coutumiers. Eenmaal op leeftijd besliste M’siri definitief weg te trekken uit Tanzania. Achter hem schaarde zich een karavaan jagers en samen migreerden ze naar Katangees gebied.
 
M’siri klopte eerst aan bij de Kazembe. Daar waren vreemdelingen ongezien en bijgevolg niet welkom. Andere bevolkingsgroepen toonden zich gastvrijer, mede door eerder gunstig contact met M’siri’s vader. M’siri verkocht de lokale chefs vuurwapens, hielp hen tegen invasies van de Baluba en de Chokwe en genas de dochter van de Pandechef van mazelen. De nieuwe vaccinatiemethode volgde een vast patroon: een medicijnman maakt een kleine scarificatie in de opperhuid, mengt het bloed met geneeskrachtige kruiden en wrijft de resulterende substantie over de wonde.
 
De chef van de Pande was dankbaar. Hij beschouwde M’siri als een zoon en liet hem delen in al zijn rijkdom. M’siri, nog steeds een vreemdeling, vreesde alles te verliezen wanneer de chef zou komen te overlijden, liever kreeg hij een eigen territorium. De Pandechef ging akkoord en de groep autochtone jagers uit Tanzania settelde rond Bunkeya.
 
M’siri creëerde een koninkrijk, Royaume Yeke, Swahili voor ‘jager’. In contact met de plaatselijke bevolking stelden de migranten zich voor als bayeke, meervoud van het enkelvoud. Na verloop van tijd werd het louter beschrijvende substantief een etnoniem. Men sprak sindsdien van de Bayeke ya (van) Bunkeya.
 
De koning breidde het gebied uit tot Kashobwe. In verschillende dorpen zette hij vazallen neer. De kleindochters van de koninklijke familie liet hij trouwen met belangrijke mannen uit de uitbreidingsdorpen. Zo ook Alains grootmoeder, zij huwde een chef uit Mutobo. "Il y a un centre des missionaires là-bas, Kansenya. Tu peux même demander les soeurs." Bunkeya werd een echte stad en floreerde door internationale handel met Cecil Rhodes.
 
Het rijk van de Bayeke ontwikkelde een eigen cultuur. Intronisatie in de dorpen ging gepaard met koninklijke insignes, meestal armbanden. Europeanen spreken nu over macht, Afrikanen verkiezen het woord fétiche. Contact met de lokale bevolking bij verovering leidde tot nieuwe mythes. In Dikuluwe, vandaag een mijndorp, leefden mensen van de visvangst. Ze wasten zichzelf en hun kleren in de rivier, die ook dienst deed als toilet. De propere Bayeke walgden, zij besloten niet langer vis te eten. Het taboe groeide uit tot deel van hun culturele identiteit. Tot op vandaag eet een traditionele Myeke niet uit een kookpot waarin ook vis is klaargemaakt.
 
"Tu vois, le végétarisme ici ce sont plutôt des tabous. En plus, il y a par exemple des gens qui ne mangent que certaines sortes de viande. Ils préfèrent l’antilope, parce que c’est un herbivore et ainsi symboliquement on ne mange que des plantes. Mais ils ne touchent pas le lion. On ne sait jamais quel animal malsain il a mangé avant." Een vernieuwende kijk op voedselpatronen.
 
Toen in 1885 Leopold II zaak wilde halen uit Congo, vluchtten veel mensen weg. M’siri bleef, niet bang gemaakt en open voor onderhandelingen. Bij de besprekingen over het Bayeke grondgebied was ook de Belgische kapitein Bodson aanwezig. De gemoederen liepen hoog op, M’siri beende de ruimte uit, Bodson schoot hem in de rug. We schrijven 20 december 1891. De laffe moord zette kwaad bloed bij M’siri’s zoon, Kalasa Mukanda Bantu, Alains overgrootvader. Die verzamelde een leger en doodde Bodson.
 
Kalasa vond onderdak bij de chefvazallen in Kasenga. Intussen ontdekte de ter hulp gesnelde Belgische strijdmacht het lichaam van M’siri. Soldaten hakten zijn hoofd af en namen het te voet mee naar Leopold in België. "De nouveau une sorte de fétiche," aldus Alain. Onderweg begon het hoofd van tijd tot tijd te praten: ,,Ik ben moe, ik wil rusten." Telkens wanneer de infanterie (Belgische mannen in legerdienst en gerekruteerde Afrikaanse helpers) gehoor gaf aan deze wens en het hoofd op een steen legde, viel er een dode. Na talloze sterfgevallen werd het risico te groot. Men begroef het hoofd van koning M’siri en de situatie kalmeerde.
 
De Belgen veroverden de hele streek. Aan de zoon van M’siri vroegen ze om terug te keren. Een chef moest immers aanwezig zijn, ook al was de kolonisator baas. Kalasa gehoorzaamde. Na zijn dood volgden zes opvolgers. De huidige chef heet Mwami Mwendabantu Godefroid Munongo Junior. Jaarlijks op 20 december vindt in Bunkeya een groot cultureel gedenkfeest plaats rond de tombe van M’siri.
 
De koloniale exploitatie in de mijnen maakte veel Katangezen bang. Ze vluchtten weg en de Belgische heerser zocht werkkrachten in het noorden, het huidige Kasaigebied. "La colonisation était aussi une colonisation de la pensée," slikt Alain. Hij doelt op de brainwashingspolitiek die Leopold introduceerde om de autochtonen op te hitsen. Katangezen noemde hij minder intelligent en beestachtiger dan Kasaiens, complexen waar veel mensen nog steeds mee kampen. In 1993 escaleerde de onrust in een tribale oorlog tegen de bevoorrechte Kasaiens.
 
 
Vandaag in Lubumbashi en omstreken voel ik de nasleep van koloniale en andere spanningen. Mensen grijpen terug naar oude verhalen om hun identiteit te herclaimen. Zoals Alains grootmoeder, die weigert wanneer haar kleinzoon een stuk gezouten vis voorschotelt. Wat een interessant verhaal.

Het café van meneer Roger

 
Voor alle reizigers onder ons: breng een bezoek aan meneer Roger, in Congo. In Lubumbashi hebben de mensen niet de gewoonte om vuilnis te sorteren. Ze gooien fruitschillen op straat en houden van plastieken zakjes. Maar Roger, meneer Roger, die heeft het helemaal begrepen. Hij opende een café, Le Baobab, volledig gemaakt van gerecycleerde dingen. En dat deed ie dan ook nog eens allemaal zelf.
 
Boven de toog hangen lampen die vroeger uitgeholde kalebassen waren. Hij heeft ze versierd met olifanten. De hangkrukken zijn oude biervaten met wat stangen en een velletje erop. Een zilveren fietsbel kondigt volk aan. 'Ring for service,' staat erbij. Van een wijnfles bouwde hij een lantaarn en van omgekeerde mortiers sfeerverlichting. De Afrikaanse boom op het privaat hutje schilderde hij met natuurlijke verf.
 
En het mooiste van al: er hangen ook schilderijen. Op eentje staat "Hapana kutupa buchafu apa," wat zoveel wilt zeggen als 'hier gooien we geen afval weg'. Het eten is er goed, al wacht ik wel nog steeds op dat speciaal huissap. Dat meneer Roger daarenboven ook pretoogjes en schattige wangetjes heeft, is mooi meegenomen.
 
 
 
Back to Top