Karin uit Noorwegen

 
We waren op vakantie, het lief en ik, voor de allereerste keer. Zij was wit en rimpelend en ze heette Karin. We ontmoetten elkaar ergens halverwege Ski en Moss, we zouden die avond onze tent opzetten aan Årungen, na Sandbakken het zesde meer die week. Ze reed in een donkergroene jeep. Het was gek warm die dag, uit het raam bengelde haar knokig armpje.
 
"Hello there," sprak een zwarte zonnebril, "can I give you a ride?" Neen, dank je, we wilden nog wat stappen en bovendien was het niet ver meer. Of we wel op de koffie wilden komen?",I live just around the corner, you'll see, can't miss it!" Juist om de hoek was inderdaad haar huis. De deur stond open, we voelden ons net Hans en Grietje, al was zij vriendelijker en haar woning niet van peperkoek. "Ma'm? It's us... the Belgians." "Coming!"
 
Ze had zo'n krassend lief stemmeke, maar ze was een tikje verward want ze vond haar sleutels niet. We zochten mee en het lief riep bingo. Dat we honger moesten hebben, zei ze, van al dat wandelen. We hadden die middag nog wildframbozen gesmuld. Vanonder in mijn trekrugzak zaten ook energierepen, cracotten, fruit, havermout en noten. Die moesten op, verontschuldigden we, en bovendien waren hij en ik geen grote vleeseters. "Oh dear, a vegetarian." Kwam ze met een preistengel aanzetten.
  
De rest van de schemeravond slurpten we koffie uit grote mokken. Ze liet een fotoalbum zien, ik vertelde over mijn studie, zij kwebbelde nog meer over Tanzania. Ze was een mooie vrouw. Ze was ook gigantisch fan van de Moemins, die witte getekende Scandinavische nijlpaardachtigen. En dan zei ze plots dat we naar haar atelier moesten gaan kijken. Bleek mevrouw Karin een kunstenares te zijn. Een heel weefgetouw stond er, en ze had collecties in New York. Hadden wij gewoon koffie gedronken met 's lands bijna bekendste artistieke dame. Op lichtblauwe pantoffels dan nog wel.

Asielhonden

 
In het eerste jaar zat ik, toen het gebeurde. Ann, de vriendin, wilde chocomelk gaan drinken. En gaan wandelen in het Citadelpark, met een hond. "En waar gaan we die halen?" vroeg ik. Ik hield van viervoeters, maar ze zomaar tevoorschijn toveren, dat kon ik nog niet. "In het asiel!" 
 
Er was daar blijkbaar een asiel. In het park. Met honden. En katten. En met een lidkaart mogen grote mensen en kleine mensen daarmee op stap (met de honden, welteverstaan). Onze eerste was Rakker, een Mechelse herder. En wij maar wandelen, naar overal en op de speeltuin. Plezant, jong.
 
Ik heb thuis ook een hond. Gekocht in een kennel in een periode waarin ik nog onwetender was. Het is een dotje, al krijg ik haar niet afgeleerd de composthoop op te vreten. Moest ik nu een hond kopen, ik zou naar een asiel gaan. Geen aaibaarheidspupjes meer. Ik zou voor zo'n goeie ouwe gaan, met een heel leven aan koekjes en wandelingskes, maar nu ergens wegrottend om welke reden dan ook. Zo'n lief antiek mormel.
  
Doen, u allen hondenliefhebbers. En als u geen viervoeter in huis wilt, vereenigt u en gaat u allen naar Gent. Daar zitten honden in kooien. In het park. En ge kunt ermee gaan wandelen.
 
 
 

Natuurliefde

 
Toen ik klein was, wilde ik boswachter worden. Bomen deden iets met me. Ik klom erin, ik sliep erin, ik zag ze als bondgenoten wanneer ik ten strijde trok tegen onzichtbare aanvallers. In de kleuterschool maakten we er eikelsoep in. Op een dag in de tekenschool zei de juf dat we naar het park gingen. We mochten stillevens schetsen van de natuur. Ik was nog nooit een hele voormiddag lang zo stil geweest.
 
In Westende op gezinsweekend nam ik mijn schildersezel mee. Ik maakte op een A3'tje een landschapsportret. Het moest met dieptezicht, mijn tong krulde. Ik was het soort meisje dat hield van natuur. Ik verzorgde gewonde rupsen en keek naar Dieren in Nesten, stiekem ook een beetje voor dokter Johan en voor stoere krollenbol Sil, die van het natuurhulpcentrum in Opglabbeek.
 
David Attenborough op video, daar kon ik uren naar luisteren. In de vakanties wist ik alles van klimaten en dolfijnensoorten. Beloega, gramper, narwal, dwerggriend en zo. Maar op den duur leert ge dan ook dat er soms dolfijnen sterven omdat de grote mensen tonijnen willen vangen om te eten. En dat de reuzenpanda, waar ik mijn spreekbeurt over deed, een bedreigde diersoort is. En dat er heel veel bomen worden omgekapt die nooit meer terug gaan groeien. Ik werd een beetje bang. 
  
Ontbossing! Ecologische crisis! Klimaatopwarming! Overconsumptie! De vleesindustrie! Maar als je bang bent, zegt Gert, dan moet je fluiten. Dus word ik blij van alternatieven en fluit ik naar keepcups, veganisme en bamboetandenborstels. Tot zover mijn halfslachtig pleidooi voor groen en ethisch leven. 
 
 

Planten adopteren

 
"Zo, veel plezier ermee!" De dame achter de kassa van de onafhankelijke boekhandel glimlacht vriendelijk. Na anderhalf uur flapteksten lezen hervat ik mijn zaterdagmiddagtrip. Reeds in de katoenen winkeltas: een must-read vluchtelingenverhaal, Wouter Deprez's brieven, twee appels en een Humble Brush. Wat nu? Een plant, Spooren, adopteer een plant!
 
Elles de Koe ontwerpt juwelen en kleine cadeaus. Ze opende een jaar geleden haar pop-up in Mechelen, maar in de ruimte was plaats voor meer. "Daarom werd Vertelles ook een plantenasiel," zegt ze. Wie tijd te weinig en stekken te veel heeft, verhuist naar kleiner, op reis gaat en geen opvang vindt, mag niet verzorgbaar groen gratis komen afgeven.
 
Het asiel begon als een klein ecologisch buurtexperiment, maar maakt meisjes zoals ik helemaal blij. Bezoekers van de winkel, toevallige voorbijgangers en andere liefhebbers kunnen de afdankers weer meenemen. Mensen helpen mensen, met tweedehandsplanten en een leuk verhaal. De bonsai die ik vandaag kies, werd pas enkele uren geleden binnengebracht. "Prachtig," glundert Elles, "die vrouw had er genoeg van, ze wilde eens wat anders. En jij wordt er dan vrolijk van."
 
Ik noem haar Gerda, mijn bonsai. Een vriendin voor Frits, de vetplant die ik een zomer terug al in Vertelles vond. "Veel plezier! En praten. Vergeet er niet tegen te praten!"
 
 
 

Pret met een stikmachien

 
"Ja, een handtas," zei ze, "van een broek". Nee, echt? Ik was op kamp en assisteerde Denise van 't Ateljee. Die had wat gipserige mankementen aan haar pols, ze was nog op zoek naar een handig hulpje of twee. Niet dat ik echt tot die categorie behoorde, het was de eerste keer dat ik een stikmachien bediende. Het was overigens ook de voorlopig laatste keer dat ik een stikmachien bediende, want ik slaagde erin de spoel te slopen. Maar dat terzijde.
 
Merci, Denise. Voor het knutselen, het tekenen, het verfborstels wassen en het kwebbelen. We hebben wat afgelachen die week. Soms in opperste concentratie, vaker met peer en reuzetas kamillethee. Het was plezant. En die gerecycleerde broek gebruik ik nog steeds.
 
Dingen fabriceren doet glimlachen. Ik maakte ooit een parfumflesrekje van oude planken. Het is te zeggen, ik had het idee en de zus de handigheid. Schuren schrobben beitsen boren, da's pure kwolititaajm. Met de radio op de achtergrond.
 
Moest ik niet zo knullig zijn, ik zou een hele garderobe stikken. Bij gebrek aan talent doe ik het voorlopig en in de mate van het mogelijke met kringloopwinkelkleren. Dat is beter voor mens, planeet en portemonnee. Ik ga ook verder zoeken naar sociabele hergebruikers. Maar ooit maak ik een wintertrui. Helemaal zelf. Met of zonder stikmachien.
 
 
 
Back to Top