De kneusjesclub

 
Op donderdagvoormiddag ergens in juni stonden we als gezworen kameraden aan het fornuis. Iemand hield drie pannen vast, nog iemand roerde in de saus, een ander mixte groenten tot soep en nog een ander klopte mascarpone. We noemden onszelf de kneusjesclub.
 
Een redelijk stuk van mij kan niet tegen chaos. Onoverzichtelijke samenvattingen, een niet opgeruimd kot, een balpen die plots vlekken maakt,... Die dag was de keuken te rommelig. Ze lag vol kruiden, lepels, vorken en binnenpretjes van een tomaat. Ze deed mijn hoofd toertjes draaien.
 
We maakten slasoep, ratatouille, aardappelen en burgers van vlees en van quorn. We klutsten een saus van mosterd en tijm, want ketchup en paprikapoeder waren er niet. Toen tegelijk de dessertdame speculaas op de grond kruimelde, een kom wegwerpschillen bij de afwas stond, het vervangvlees op zwart karton leek en ik te laat besefte dat ik mijn hand aan het verbranden was, besloten we onze stommiteiten hilarisch te vinden.
 
Later aan tafel werden de werkzaamheden geproefd. Unaniem een prachtige flop, lachten we, met elk moment een leerkans en toch een smakelijk resultaat. Fouten maken mag, struikelen is heroriënteren, het allemaal niet perfect doen is helemaal oké. De afwassende hulpchaoot kroonden we tot Opperkneus.

De keldergangen

 
Half zeven, de wekker zingt. Mijn hoofd krijgt vroeg in de ochtend een PET-scan. Ik wacht, een grote meneer in uniform speelt voor vervoer. We wandelen de deuren uit, de gangen door, langs oude karren en oude knarren, ver onder de begane grond. We lopen door de kelder, het lijkt een beetje op Grey's Anatomy.
 
Machines op rust genieten nu van neerdalend stof. Boven lopen buizen. Gentse dokters in witte jassen groeten de verpleger: "Goedemorrrchen, Ben." Ben knikt, ik ook en ik geeuw. Verdorie, Spooren, ga dan ook eens wat vroeger slapen he. Er hing een nota op de deur. Kristien, 6u20, P8. Ik dacht gisteren nog dat mijn afspraak op tandheelkunde was.
 
Het Universitair Ziekenhuis is eigenlijk een kleine stad, met tweeënveertig hectare wetenschap en een eigen tramlijn. Een ondergronds gangenstelsel verbindt de verschillende afdelingen. Alle gebouwen hebben een letter en een nummer. Toen vorige week een onweer losbarstte, verplaatsten de inwoners zich door een wandelkoker. Vanuit de ruimte leken ze vast Playmobil.
 
Straks zal ik een infuus krijgen, zegt Ben, met radioactieve stoffen. Ik zal niet mogen lezen, gsm'en, eten of drinken gedurende de halve voormiddag. "Maar nadien straal je wel," lacht hij om zijn eigen mopje. We slaan een zijweg in.
 
Ping. Een medewerker op de fiets rinkelt om voorrang. We stappen opzij, en zien er nog twee passeren, drie, vier. Ze brengen documenten van de poli naar het kinderziekenhuis. Voetgangers blijven rechts en kijken vooraleer ze oversteken. Ik zwaai nog naar een wagenbestuurder verderop in de gang. De kelder van mijn ziekenhuisstad heeft verkeersregels.
 
 

Verjaardagen

 
Ik verjaarde vanavond in het Liedermeerspark. Tweeëntwintig keer twaalf maanden oud werd ik, vers volwassen maar nog even goed een kind. Soms vind ik groot worden te vergankelijk. Dan wil ik rennen, hand in hand met mezelf, ver weg van mijn houdbaarheidsdatum naar vijf seizoenen terug, naar meer tevreden en minder verfrommeld.
 
Buiten het bos sloft een mannetje op turnpantoffels de schemering voorbij. Hij draagt een roze rugzakje. Zijn pas is traag, zonder haast, alsof hij gewoon alleen maar slentert. Soms staat hij even stil, om op adem te komen, rond te kijken, om een zucht te slaken en weer verder te gaan. Alles aan het uitzicht klopt. Ik glimlach. De wereld vraagt aandacht die ik eerst niet wilde geven.
 
"Jij viert het leven en het leven viert jou," fluistert alles rondom. Gelukkige verjaardag, kleine vrouw. Hier en nu en nergens anders zwaaien bomen een verjaardagslied. Een gezin eenden kwettert mee, ongedwongen, vader, moeder en drie kuikens. We ruiken bloemen, frisse blauwe, maar ik ken de naam niet. De wind blaast warmte weg, straks wachten wolken zonder vrees. Ik wandel verder, de avond in. De zon valt bijna naar beneden.
 
Happy (b)earthday.
 
 
 
 

In de Veldstraat

 
Het is zondag en het regent. De pannen, de straatklinkers en mijn stoffen boekentas worden nat. Ik draag een driekwart zomeroutfit, de druppels dansen op mijn ongeschoren onderbenen. Ze spoelen de warmte weg, die druppels, met brullende buien en af en toe een zonnestraal.
 
In de Veldstraat wachten wij, buren-bondgenoten, in de regen op de tram. We willen reizen naar het einde en weer terug, langs de wereld die passeert en schuilt en straks gaat slapen. Een kudde homo sapiens wandelt door de Veldstraat. Er zijn vastbesloten shoppers, misnoegde dagtoeristen, pauzeerders, koffieproevers. De mensen haten grijze lucht. Hun gezichten staan op donderwolk.
 
We bekijken het leven op wandelafstand. Twee identieke kleuters spelen in een plas, hun moeder staat een winkel verder. Stiekem wil ik mee gaan springen. Zitten op de grond is even prettig, uitgestrekt, dichter bij niet groot zijn dan rechtopstaand. De benen rusten een voetpadbreedte lang, ik brei een sjaal en twee verhalen aan elkaar.
 
Voorbij de krantenwinkel struint een dapper heertje. We slaan er geen acht op, hij is een passant zoals zovelen. Misschien zien we hem zelfs niet. Hij nadert, linkervoet voor rechtervoet, langs de Fnac, de kleine H&M, de luifel boven de Panos. Te laat wil ik mijn rustende onderstel intrekken, sust hij dat dat niet hoeft, straalt daarop "Een twee hup" en springt dan sierlijk over mijn bedonsde kuiten.

De poetsvrouw

 
"Hallo, juffrouwtje." De poetsvrouw spreekt Gents en voor de tweede dag op rij begroet ze met de glimlach. Of ik maandag mijn tas alvast van de grond wil zetten? Want het is dan grote kuisdag, en ze zou niet willen dat mijn boeken nat worden. "Dat liedje ken ik niet," zegt ze, doelend op mijn Spotify-playlist, "maar ik hoor wel vree graag muziek. In kamer 1 staan altijd Vlaamse chansons op, en dan wil ik dansen."
 
Ik vertel over het liedje en over dromen hebben. "Dat is belangrijk, juffrouwtje, het houdt je jong. Hoe oud ben je nu eigenlijk?" Ze schat me zeventien. De vensterbank boenend mijmert ze over de tijd die vervliegt, en over ik die nu even niet veel te doen heb. "Je kan tv kijken, of straks een frisse neus gaan halen, want het is zulk mooi weer." Gisteren deed ze de gordijnen toe, omdat de kamer anders te warm werd.
 
En dan gaat het over de zon. En met de zon denk ik aan Afrika, en aan mijn Congolese vrienden onder politieke druk. De situatie is er gespannen, in Kolwezi braken rellen uit. We hopen op stabiliteit, voor land en inwoners, voor Alain en Dieudonné en Didance uit Lubumbashi. Ik denk dat ik weet wat ik vandaag ga doen. Ik wil een mail schrijven, ik wil brainstormen, ik wil broeden op een plan om Alains dromen waar te maken.
 
"Goed idee, juffrouwtje."
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top