Treinrit

Een man slaapt met de benen gekruist
terwijl een meisje herhaalt wanneer ze thuis zal zijn
- tegelijk met de hoorn
legt ze ook haar moeders zorgen neer -
terwijl een andere man op een kaart de plek zoekt
waar hij zijn vrouw is kwijtgeraakt
terwijl een jongen aan de stralen van de zon trekt
- hij verbrandt zijn vingers derdegraads -
terwijl alle schaduwen in dezelfde richting
achterover vallen, behalve eentje
die valt dwars naar voren.
 

Ik ga niet weg

‘Maar ik ga niet weg,’ zegt ze. 
Ze klinkt alsof ze het belooft, maar ik ben bang dat ze op een dag opstaat, haar jas aantrekt, de deur uit loopt en begint te rennen, steeds verder, steeds harder, langs populieren, straten, raamkozijnen, een bos in, een wijk door, en dat ze dan plots stil staat, tussen twee geparkeerde auto’s in, en genoeg van me heeft. 
 
Ik wou dat ik niet zo dacht. 
Maar je kan je gedachten niet willen, dat heb ik geleerd, dat denken een soort van willekeur is, met de natte vinger aangeraakt, en dat de gedachte die je denkt even goed een andere gedachte kan zijn. 
 
Ik wou dat ik wat ze zei in een boek kon lijmen 
waarin ik alle beloftes van iedereen die niet mocht weggaan bewaarde. Ik nam dat boek dan in mijn handen, bladerde erin, glimlachte en slaakte af en toe een zucht, zo van: Dié, die gaan niet weg. Ik wou dat ze haar handtekening eronder zette, rechts onderaan in een balkje, duidelijk leesbaar, en dat ik als ik dacht dat ze wegging dat boek dan tevoorschijn kon halen: ‘Dat gaat niet, je hebt het beloofd.’
 
‘Ik ga niet weg,’ herhaalt ze.
Ik wou dat ik het geloofde. Dat één keer zeggen voldoende was, maar ik ben bang dat dingen verdwijnen als je ze lang genoeg niet uitspreekt. 
 
Bang loop ik naar de badkamer,
trek mijn kamerjas aan, span het lint strak rond mijn buik, ik leg er een dubbele knoop in.
Ik wil geloven dat het armen zijn, armen die mij stevig vasthouden en nooit meer loslaten.
 

Pinguïns

In het gerechtsgebouw van Gent bevinden de toiletten zich op -1. Als je moet plassen, zink je met de lift naar de kelder. Je stapt een hokje binnen. Je verlicht er jezelf. Je tilt moed op je schouders.
 
In de rechtszalen lopen mensen rond. Pinguïns, noemde iemand de advocaten eens. Het was op een dag in oktober, de pinguïns droegen warme broeken onder hun kostuum. Als je door de ramen keek, zag je de bladeren neerstorten.
 
De ramen zijn overal, het is een glazen gebouw. Van buitenaf kan je de mensen zien die zenuwachtig naar alle kanten lopen. Ik zoek iemand die niet zenuwachtig is. Niet de beklaagden, al zeker niet de slachtoffers. Misschien een enkele beklaagde, misschien iemand zoals de beklaagde die op de dag van de pinguïns ook in de rechtszaal was.
 
Als ik een foto trek, kadreer ik de randen zo dat er een tak boven het gebouw groeit. Ik weet niet wat voor tak het is, maar hij is mooi, en hij lijkt te dansen op het platte dak. Hij borstelt de trauma’s weg.
 
Het gebouw is te modern, zoals de nieuwe bibliotheek, die is ook te modern. Bibliotheken moeten oud zijn en ruiken naar stof dat aan nooit gelezen boeken kleeft. Ik ben het meisje dat die boeken gaat zoeken. Ik ben het meisje dat boeken die naar achteren geduwd worden weer in de rij zet.
 
Hij is de jongen die ook van boeken houdt. En van films. Hij is de jongen die vertelde over suïcidale pinguïns die van een groep weg lopen omdat de voortdurende aanraking hen te veel wordt. 
 
 

 

Schrijven en brunchen #2: Duiven

Mijn meter had duiven. Een aantal keer per jaar belde ze iedereen op, mijn oom en tante, een andere tante, mijn vader en moeder, de kinderen. Die belde ze niet op, de kinderen, die gingen vanzelf mee, want als kind hoor je te zijn waar je ouders zijn. Het was meestal een zaterdag.
 
De duiven moesten dood. Zo stond het ook in de agenda van mijn moeder: 'Namiddag - duiven dooddoen', alsof niet het samen zijn ons verbond, maar wel het bloed dat aan onze handen kleefde. De avond voordien stopte mijn meter de ongelukkigen in een til, een stuk hok met kippengaas waarin ze als regenwormen over elkaar kronkelden, ik begreep niet waarom sommige duiven wel en andere niet dood moesten. Eén voor één werden ze gehaald, haar handen rond de vleugels, de slachtbank op.
 
Ik weet niet of de duiven hun vrienden hoorden doodgaan, want als duiven doodgaan krijsen ze niet, ze flapperen alleen heel hard, en als hun kopje neervalt, drupt het bloed uit hun nek zoals een waterval. Ik heb nooit een stervende duif in mijn handen gehad, ik heb ook nooit gevraagd of ze dan lichter werden als ze leeg liepen.
 
Mijn moeder moest de veertjes plukken. Soms klitten veertjes aan elkaar als ze van een huid getrokken worden. Dan had je een wolkje duif, als de duif wit was, je kon er een kindertekening van maken, van die tekeningen waarbij je eerst lijm moet smeren en er dan vanalles op plakt. De meeste duiven waren wit. Sommige waren bruin.
 
Na het plukken werden de ingewanden verwijderd, dat deed mijn vader. Ik haatte dat deel het meest, want hoewel we de deur van de living naar de keuken toe deden, kroop de geur toch door het sleutelgat, de geur van dood en van dingen die diep vanbinnen zitten.

Schrijven en brunchen #1: Het eten wordt voorgesteld

'We hebben een vegetarische brunch voorbereid', zegt ze. Ze glimlacht breed. Ze is het gewoon te glimlachen, dat kun je zien aan haar mond, haar aan zonlicht blootgestelde tanden, de soepele huid rond haar lippen. Ze draagt een salopet, de bovenkant van de salopet is een rechte lijn. Ik wil dat ze stil blijft staan, zodat de lijn evenwijdig is met de grond, en met de horizon in het schilderij dat achter haar rug waterpas aan de muur hangt. 
 
Er is pompoensalade met rucola en feta. Ze zegt féta, niet fèta, zoals mijn moeder het altijd zei. Pompoen met rucola en feta, dat wil ik proeven. Er is ook yoghurt. Die ligt als verse sneeuw in een kom. Er staat een lepel in, het schepgedeelte (het-heeft-geen-naam-dat-vind-ik-jammer) is ondergesneeuwd. Het zou even goed een vork kunnen zijn, maar ik weet dat het een lepel is, omdat je yoghurt niet met een vork eet.
 
Is dat wel zo? vraag ik me af. Er zijn momenten geweest waarop ik alles met een vork at, want ik wilde prikken in mijn voedsel en het pijn doen omdat het me dik maakte. 
 
Ik bestel koffie, die heet Bernard, met pure chocolade en nootmuskaat. De chocolade kleeft aan de bodem, maar ik wil niet roeren omdat ik het idee van een zoete bodem veilig vind. Zoete bodems doen me denken aan moeders, aan zachte grondvesten. 'Ik mis je', fluister ik, en ik slurp van de chocolade tot de bodem leeg is.

Jaklientje

Mijn kater legde een muizenlijkje op de vloer naast de tafelpoot. In de verte was het een donkere vlek, een grillige vorm aan een draadje, het viel niet op in het geheel van de kamer. ‘Jaklientje,’ dacht ik, en ik sprak de naam drie keer uit om te proeven of hij wel naar dode muis smaakte.
 
Ik legde de muis op het blauwe deksel van een tupperware doosje, een vierkant, van die doosjes die je gebruikt om soep in te bewaren. Ze paste er precies in, behalve haar staart, die hing een beetje over de rand. Het einde van die staart was een lus, zoals een koord aan een muziekknuffel, en ik trok aan de staart van Jaklientje tot ze geluid maakte, maar ze verschoof alleen een beetje.
 
Ik legde het lijkje op de vensterbank omdat ik wilde zien hoe ze verging. Dat wilde ik vaker, zien hoe dingen vergaan. Planten, een appel, alles wat tijdelijk is, maar niet als het mensen zijn.
 
De voorpoten van de muis waren gekromd, je kon haar ergens over haken. Het oor waarop ze lag was verfrommeld, zoals spek wanneer het gebakken wordt, en het bleef zo staan omdat ze dood was. Op haar vacht was gekauwd, dat zag je, dus ik bestudeerde het gebit van mijn kat of ik zijn tandafdrukken herkende. Een boog kleine gaatjes en links moest er een gat zijn, want daar had hij een kankergezwel.
 
Aan de zichtbare kant van haar kop had de muis geen oog meer. Het was een gaatje, zoals een gaatje waar je een naald door haalt, en ik zag het voor me, hoe ze aan een draad geregen werd, een sleutelhanger, ik was blij dat ze al dood was.
 
Na drie dagen op de vensterbank was Jaklientje gekrompen. Ze leek niet meer op een slapende muis die toevallig dood was, maar op iets weerloos, een velletje met klitten eromheen. Ik nam haar omtrek met een lintmeter, ze was al voor de helft verdwenen, alleen de staart bleef intact. Ik probeerde een lijst te bedenken van dingen die intact blijven, maar zelfs de kleur van inktvissen verandert. En vroeger lustte ik slagroom, en nu niet meer.
 
De lucht boven de muis had toefjes slagroom. Ze zeggen dat de hemel bestaat uit springkastelen. Als er al een hemel was, dan wou ik dat Jaklientje stopte met verdwijnen, want zonder zwaartekracht zou ze alleen maar kunnen liggen, tot iemand vlak naast haar sprong en ze omhoog veerde.












Reveil

Wat is missen? vroeg ik.
 
We stonden bij een bankje waar iemand Ik mis je in had gekerfd. Het waren hoekige letters, omdat het moeilijk is om ronde vormen in hout te krassen. De S was een bliksemflits. Zo voelt het, zei je, missen. Alsof het al een hele tijd regent en dan alles verlicht wordt, en dat je dan ziet dat de grond aan het wegspoelen is.
 
Dat er geen bodem meer is, zei ik. Ja, zei je.
Ik wou dat de grond zo stevig was, zei ik, dat die nooit kon wegspoelen. En ik vroeg het je, of jij ook zou weggaan, en je zei Nee, en ik geloofde je, want ik dacht dat je altijd alles wist.
 
Maar je ging wel weg. Je werd je eigen regenbui en spoelde jezelf weg met je verdriet. Ik bouwde dammen en probeerde je vast te houden, maar je glipte tussen mijn vingers. Ik mis je, zei ik. Ik zei het tegen de vogels, de bomen, de bankjes die ik tegenkwam.
 
Je afwezigheid regende overal waar ik keek.

Okkernoot

Als hersenen geen voeding krijgen, verharden ze.
Ze zien er dan uit zoals een okkernoot
en je schedel is de dop.
 
Vroeger dacht ik dat therapeuten notenkrakers waren.
Dat ze je hoofd open knakten
en de bittere velletjes rond je hersenen weg plukten.
 
Dat is niet waar.
Je moet in je eigen hoofd kruipen
en met je vinger langs je hersenschors wrijven.
Je moet waarderen dat die je cellen beschermt
en de kevers buiten houden die je bast opeten.
 
En dan moet je ze onderhouden.
Je moet je hersenen zoveel zachtheid geven
dat ze terug week worden.
Als ze week zijn, moet je ze voeden.
Ze laten zwemmen in gezonde vetten
tot ze gerimpeld worden van het nat zijn.
 
Therapeuten zijn zwemleraars
die voordoen hoe je met okkernootspieren
flexibel kan worden.

Appel

De eerste keer dat ik op de weegschaal stond,
zette ik hem op acht verschillende plaatsen.
Vijf van de acht keer woog ik iets anders.
Drie keer woog ik hetzelfde.
 
Ik wilde weten waar de zwaartekracht gelijk was
en nam een krijtje om de zone af te bakenen.
Ik dacht Als ik binnen de lijnen blijf,
neem ik altijd even veel ruimte in.
 
Er stond een cirkel op de vloer.
Mensen die langs kwamen vroegen Wat is het.
Ik ging in het zwaartepunt staan
en zei Hierin ben ik onveranderlijk.
 
Een man vroeg Blijf je daar.
Ik zei Ik weet het niet.
Hij nam een hap van zijn appel
en las de definitie van onveranderlijkheid voor:
als iets steeds hetzelfde blijft.
Synoniem: onwankelbaar.
 
Hij vroeg Ben je bang van wankelen.
Ik zei Ja, omdat je dan alle kanten op valt.
Hij keek naar de vorm van zijn appel
en zei Appels vallen loodrecht naar beneden.
Misschien moet je symmetrisch zijn.
 
Dus schaafde ik mijn lichaam bij.
Verdeelde ik mijn gewicht symmetrisch over mijn benen.
Ik ging op één voet op de weegschaal staan,
en dan op de andere,
en ik schaafde
tot beide helften van mijn lichaam even zwaar waren.
 
Ik viel flauw.
Loodrecht voorover.
Het had gewerkt.

Komkommers

Ik heb teveel longen om te vullen.
Ze zegt Je moet ademen, ik heb een zakje.
Snuif zuurstof op, blaas koolstofdioxide uit.
We doen het samen.

Ik vind het eng om in een zakje te blazen,
omdat alles wat ik dan weg blaas in het zakje gevangen zit,
en ik het dan misschien terug inadem.

Ze zegt Koolstofdioxide is doorzichtig.
Je ziet niet wat je uitademt.
Ik zeg Ik ben bang van dingen die ik niet zie.
Ze nemen vaak de meeste plaats in.
En ik blaas het zakje tot een luchtballon.

Het is een witte ballon.
We maken een knoopje met de lussen
en kaatsen mijn koolstofdioxide heen en weer.

Ze zegt Jij bent ook doorzichtig.
Als je bang bent, zie ik wat erachter zit.

Voor anderen was ik onduidelijk.
Bestond ik vanbinnen uit dichte mist.
Ze zeiden Je beperkt het zicht, je laat ons botsen.
Dan zweeg ik, en hield ik mijn adem in.

Het zakje landt op de grond naast onze voeten.
Ik raap het op, het ruikt naar komkommers.
Op de buitenkant staat Antibacterieel.
Ik zeg Iemand wilde veilig eten.
 
Ik wil ook veilig eten. 
Ze zegt Kom, wij zijn bekommerd.

 

 

Back to Top