Avondrood

Ik heb lang niet geweten wat het verschil tussen bloedrood en avondrood was.
Toen ik de kleuren leerde kennen,
tekende ik een zonsondergang die aan het bloeden was.
Alsof het pijn doet, ondergaan.
Alsof de horizon een echte lijn was, 
drijfzand waar de zon in wegzinkt,
of een grond waarop ze in stukken breekt.
 
Ze zeggen dat de dagen nooit voor altijd blijven duren.
Misschien moeten we denken dat er geen dagen zijn.
Dat leven alleen een ketting van momenten is, 
en dat je tussendoor dan slaapt, tot het volgende moment.
Misschien moeten we stoppen met denken dat iets ooit gedaan kan zijn.
Waar gaat een dag naartoe als hij voorbij is, 
wie verzamelt de uren die verloren zijn?
 
Ik wou dat er zoiets bestond als Hans en Grietje.
Dat je elke dag die je leeft kan verkruimelen, 
zodat je de weg terugvindt als je niet meer weet waar je was.
En dat iemand dan langskomt, en jouw maandagkruimel ziet liggen,
en denkt: wat een bijzondere dag was dat.
 
Laatst zag ik een onweer in de verte.
Iemand had me geleerd dat ik moest tellen.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig, tussen de donderslagen.
Zo kon je weten of het onweer zich op een veilige afstand bevond.
Soms, als iemand boos wordt, doe ik hetzelfde.
Ik tel de seconden tussen de woorden om te weten of ik nog veilig ben.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
Tot de zon weer opkomt.

Boterhammen

Ik heb gisteren twee boterhammen gegeten, een bruine en een witte.
Ik heb er boter op gesmeerd en er kaas op gelegd, harde,
van die kaas die je kan breken als je de schel ver genoeg plooit.
Kaas plooien is voor viespeuken, zei mijn moeder,
omdat je er dan vingerafdrukken in duwt.
Sindsdien ben ik bang om mijn DNA achter te laten.
 
Ik heb de witte boterham als laatste opgegeten, en de bruine als eerste.
Ik heb de graantjes uit de bruine boterham geplukt
en die in een rijtje op mijn bord gelegd, van kleiner naar groter.
Het waren er zeven.
Ik word er rustig van als ik het begin van dingen kan zien.
 
Ik was de korstjes van de kaas vergeten.
Er zijn in de wereld drie soorten mensen.
De eerste soort snijdt de korstjes weg met een mes.
Sommigen doen dat minutieus,
alsof ze bang zijn dat het snijden niet evenwijdig met de rand van de kaas gebeurt.
Anderen doen het slordig.
De tweede soort prutst de korstjes los met de vingers.
Het voordeel voor de tweede soort is dat ze gaandelings meer kaas over houden dan de eerste soort.
De derde soort is een pseudosoort.
Gewoonlijk vergeten ze de korstjes.
Als ze de fout op tijd inzien, veranderen ze hun gedrag naar dat van de eerste of de tweede soort.
Als ze dat niet doen, belanden de korstjes onopgemerkt in hun lichaam.
 
Ik heb gedacht aan alle mensen die op dat moment ook boterhammen aten.
Ik heb me afgevraagd waarom sommige mensen links
en andere mensen rechts de eerste hap nemen.
Ik wilde weten hoeveel woorden er voor brood bestaan,
en hoeveel procent van de bevolking haar mes aan de bovenkant afsmeert.
Hoe zou het zijn als je wist waar in de wereld
iemand op dezelfde seconde zijn tanden in een boterham zette?
 
Vroeger hield ik het meest van de gaten in de kaas,
alsof ik toen al dacht dat leegte beter smaakte.
Maar nu wil ik weten hoe het is om opgevuld te worden.


Hoe het is om bang te zijn

Toen ik bang was, dacht ik dat ik doodging, en ik wist niet hoe dat eruit zag. 
Ik was heel snel aan het ademen,
alsof ik te veel longen had die allemaal tegelijk gevuld moesten worden.
Ik zat op de grond in de vorm van een hekje, zo |/|, met een schuine balk in het midden.
Er kwam iemand langs die vroeg of ik altijd zo houterig ben.
Ik zei: nee, alleen als ik verstijf.
 
Hij zei dat hij stijf alleen maar kende van pudding.
Ik zei dat het daarop leek, op flan uit potjes die je moest omdraaien,
omdat ik me voorgevormd voelde, en toch wankel.
Ik wou dat iemand mij met een lepeltje open prikte. 
 
Ik dacht dat mijn hart zo snel klopte dat het uit mijn borst viel.
Als dat echt gebeurde, propte ik de leegte vol met watten,
omdat zachtheid de dingen kon uitpluizen.
 
Een jongen legde een hand op mijn schouder. 
Zijn vingers vormden zich als een kapsel rond mijn gewricht.
Hij vroeg: waar denk je aan?
 
Ik zei: aan doodgaan,
en aan niet meer weten uit welke delen je bestaat.
Hij zei: je hebt een hoofd, twee armen, twee benen en iets daartussen,
maar ik weet niet hoe je er vanbinnen uitziet. 
Ik ook niet, zei ik, en dat vind ik heel eng. 
Ik vroeg of hij een zaklamp had, zodat we mij samen konden verlichten.
 
Ergens verderop stapte een man van zijn fiets. 
Hij had een wolk vast, aan een touwtje. 
Ik heb wat lucht voor je gevangen, zei hij. 
 
Ik droomde die nacht dat ik op al mijn longen danste. 
De vingers van de jongen waren grassprieten die mijn tenen kietelden.
Hij vroeg: waar denk je aan?
Ik zei: ik ben alleen maar ademloos. 
 
 
 
 
 
 
 
 

Heremietkreeften

Toen ik acht werd, kreeg ik van mijn vader een doosje zeelucht. 
Hij had alle lucifers opgebrand en in een schaaltje gelegd,
en het lege doosje had hij in de zak van zijn jas gestoken.
Op een avond was hij ermee naar het strand gewandeld om de wind beet te nemen. 
Hoe lang moet je blijven staan om een geur te vangen?
 
Ik was er heel spaarzaam op.
Ik opende het op een kier en rook er alleen aan op zondagen, 
want ik wist niet hoe lang geuren bewaard bleven, 
en ook niet of ik dan beter in of buiten het doosje uitademde.
 
Die zomer had ik besloten dat ik van de zee hield.
Ik raakte het water aan met twee tenen, maar het trok zich terug.
Ik riep naar de zee waarom ze steeds wegging, en dat ze moest terugkomen,
en dat deed ze, en dan ging ze weer weg. 
Ik speelde er tikkertje mee. 
 
Mijn moeder dacht dat ze een golfbreker was. 
Ze ging voor de golven staan met gespreide armen 
en haar benen stevig in het zand gedrukt. 
Ze zei dat wij achter haar moesten staan, op een rij.
Zo zag het eruit om samen tegen iets bestand te zijn.
 
Rond een schelp zag ik heremietkreeften stoelendans spelen.
Ik zei: ik wou dat ik ook mijn huis kon kiezen.
 
Een kind struikelde over een zandkorrel toen het naar een frisbee rende. 
Hij viel in stukken, eerst zijn voeten, dan zijn knieën, zijn benen, en zijn romp.
Ik vroeg of hij dat altijd zo deed, en hij zei dat mensen nooit in één keer vallen.
Sindsdien vraag ik me telkens af welk deel van mij gevallen is. 
 
In de kerker van mijn zandkasteel begroef ik een doosje.
Jaren later spoelde het aan, en ik wist niet meer wat ik erin gevangen had.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Dingen die je over mij mag weten

 
- Afrika. ik studeerde Afrikaanse talen en culturen, in een kelderlokaal waar we de riolering hoorden.
- blauw. dat vind ik een interessante kleur, omdat ze veel kan vertellen.
C - chocolademelk. ik drink het liefst fondant chocolademelk die niet opgeroerd is, omdat de melk dan licht zoet is en je de chocolade er kan uitlepelen die gesmolten op de bodem ligt.
- dolfijn. ooit wou ik onze tuin omspitten tot een zee waar dolfijnen in woonden.
E
F - fruit. ik weet nog altijd niet of ik appels of peren het lekkerst vind.
G - gretig. dat vind ik een mooi woord. het wil zeggen dat je iets heel graag wil, en dat is soms het eerlijkste wat je kan denken.
H - herfst. ik wou dat het altijd naar dennenappels rook.
I -
J -
K - Kristien. zo heet ik. ik vind het de mooiste naam van de wereld, omdat hij van mij is.
L
M
- Nestor. zo heet mijn kat. hij is 12 en hij ruikt naar oude stofjes.
O
P
Q
R
S
T - turnen. ik ruik graag aan de bovenkant van oude turnplinten.
U -
V - veelzeggend. zo zou ik mezelf in één woord omschrijven.
W - wintereik. als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
- xylofoon. dat is een woord met een x.
Y - Yamaha. ik leerde muziekspelen van een meester die kerstlichtjes op de venstertabletten brandde.
Z - zee. ik hou het meest van hoe ze klinkt als er geen golven zijn.

Toon Tellegen

 
ik zag een week terug Toon Tellegen ik ging helemaal alleen ik zat vanboven het leek van daaruit alsof hij hele korte beentjes had ik kon pas na de voorstelling zien hoe hij eruit zag want ik had alleen zijn hoofd in bovenaanzicht gezien dat was kaal met koalaplukken witte haren

er was een tafel ik kocht een boek waarin de taarten van de dieren gemaakt worden ik dacht dat is leuk want soms vind ik het moeilijk om te eten ik zei dat tegen Toon hij lachte hij signeerde mijn boek hij schreef voor Kristien ik gaf hem een kaartje hij vroeg of ik van Gent was hij zei dank je wel wat leuk ik ga naar je website kijken

nu lig ik in mijn bed gemaakt van bananenplanten ik blader in het boek ik lees taart van grind, algen en zachte modder die moet je op een omgekeerde taartschaal zetten zodat de zachter modder er mooi een beetje af kan druipen.

Wat is je lievelingsgeluid

 
wat is je lievelingsgeluid? vroeg ze.
hij dacht even na.
 
een lucifer die aangestoken wordt.
een kloppend hart in een stethoscoop.
hoe dromende honden ademen.
het toeklikken van haarspeldjes.
als je je ogen sluit en de trein hoort aankomen.
een schaar in dik papier.
een rollercoaster zonder mensen erin.
en hoe je kreunt als je je ‘s morgens uitrekt.

 

Dingen die ik leuk vind aan mijn huis

 
dingen die ik leuk vind aan mijn huis:
 
1. de opstapjes, en dat mijn bed op het hoogste niveau staat.
2. dat de warmtepomp ver genoeg van de tafel hangt om de kaarsen niet uit te blazen, maar dicht genoeg bij de tafel hangt om hun vlammen te laten dansen.
3. het geluid dat de kaarsen maken als ze met een lucifer aangestoken worden.
4. dat ik er geen weegschaal heb.
5. dat mijn bed gemaakt is van bananenplanten, en dat er iemand is die zegt dat ik dan in een banaan slaap.
6. dat de vloer plekjes heeft met interessante vormen.
7. dat ik gedichten op de muur verzamel.
8. dat de boeken in mijn boekenkast geen logische volgorde hebben, en dat ik dan nooit weet welke boeken ik eigenlijk heb en altijd verrast word.
9. dat ik niet alleen ben als ik de radio aan zet.
10. dat ik ook niet alleen ben als ik mijn teddybeer knuffel.
11. dat de vloer gezellig scheef ligt. 
12. dat ik op mijn tippen moet staan om in de badkamer door het raam naar buiten te kijken.
13. dat mijn douche zo klein is dat ik er perfect onder pas, en mensen die groter zijn niet.
14. dat de werkmannen de muur niet herschilderen toen ze de kachels verwijderden. er zijn drie lagen levens te zien om over na te denken.
 
dingen die ik niet leuk vind aan mijn huis:
 
1. dat mijn gordijn opplooit als ik ze open doe, omdat er een schommelstoel tegen staat.
2. dat de planten doodgaan.
3. dat ik nog geen bordenwisser heb gevonden voor het krijtbord.
4. dat ik altijd bang ben dat ik waterkringen op de tafel ga maken, maar dat ik het ook jammer vind om een tafelkleed te leggen, omdat het zo’n mooie tafel is.
5. dat de waterketel stottert als hij te vol is.
6. dat ik niet graag theezakjes open maak, maar wel graag thee drink. dat ik daarom soms koffie drink als ik eigenlijk thee wil.
7. dat mijn staanlamp aan de andere kant van het bed staat, en dat ik die toch niet wil verhuizen en ook niet aan de andere kant van het bed wil gaan liggen.
8. dat ik de regen niet kan voelen.

 

Na de voorronde van Naft voor Woord

 
de trein heeft 55 minuten vertraging
omdat er een persoon moest opgeruimd worden.
op het perron pruts ik aan de chocolade van een Snickers.
ik heb bier gewonnen, maar dat drink ik niet.
ik wil het wel ruiken,
dus ik probeer het kroonkurkje met mijn sleutel los te wrikken.
dat lukt niet, en ik voel me plots verdrietig
omdat ik niet weet hoe ik een bierflesje moet openmaken.
 
het is de sleutel van mijn brievenbus.
die is zwart, de bovenste van vier.
het voetpad loopt een beetje af,
ik moet op mijn tippen staan om de post te halen.
ik durf de onderbuur niet te vragen
of ik van brievenbus mag wisselen.
 
op de roltrap verschijnt het hoofd van een man,
en dan zijn lichaam.
hij geeft me zijn visitekaartje (Leo, freelancer)
en zegt dat hij oud is, maar wel Facebook heeft.
u bent helemaal niet oud, wil ik zeggen,
maar ik lach alleen maar,
en ik zeg dat ik ook een visitekaartje heb.
 
ik geef hem een biertje.
Maneblusser, dat drink ik graag, zegt hij.
hij vraagt wat ik van het leven denk.
ik heb een poëziewedstrijd gewonnen, zeg ik.
dan kan je iets wat ik niet kan, zegt hij,
en ik wil dat nog wegwuiven,
maar de trein is er al, zijn trein.
terwijl ik hem uitzwaai, voel ik me opnieuw verdrietig,
omdat ik hem niet gevraagd heb waarin hij freelancet.
 
ik zie mezelf op het perron zitten, tegen een grijze kast.
ik glimlach, want ik denk dat ik bewust gelukkig ben.
mijn rugzak staat naast me, en daarnaast de mand met biertjes.
het zou mooi zijn als iemand een schilderij van me maakte.
 
de man had ook nog gezegd
dat ik niet meer uit het gebroken glas mocht drinken.
dat was stuk gegaan toen een vrouw haar autodeur tegen de mand open gooide.
daar werd ik ook een beetje verdrietig van,
omdat ik dacht aan hoe waardering soms zo snel kan sneuvelen.
 
op de trein plof ik tegenover een meisje met een blauwe bloes. 
ik wil een gesprek met haar starten, maar ik weet geen onderwerp. 
misschien kan ik iets over haar oorbellen zeggen.
misschien kan ik haar ook een biertje geven.
ze zegt dat ze niet drinkt en het gesprek valt stil.
ik kijk naar buiten, maar ik zie alleen mijn eigen reflectie.
 
in Gent stap ik op de bus. 
de chauffeur is vroeg, dus hij praat nog met de chauffeur
van de bus op het perron ernaast, die geen dienst heeft.
ik vraag me af of alle buschauffeurs elkaar kennen. 
ze zeggen dat ik een mand vol biertjes heb. 
ja, zeg ik, ik wilde net vragen of u er eentje wilt. 
maar de mannen drinken ook niet.
een krullende jongen achter op de bus wel. 
 
het is zes haltes verder dat ik moet afstappen. 
de buschauffeur mompelt iets over het verkeer,
of over het station,
en ik doe alsof ik het verstaan heb. 
kent u alle buschauffeurs? vraag ik. 
 
ik weet het niet, zegt hij.
ik ook niet, denk ik.
maar ooit wil ik het weten. 
 
 
 

 

Vijftien

 
ze deed me denken aan een vriendin die ik ooit had.
ze woonde rond een vijver die in de winter bevroor.
we plukten aardbeien in de zomer, toen die nog rood waren.
ik was de moed verloren, zij haar moeder.
iedere dag na school fietste ik mee om haar thuis af te zetten.
ze had me geleerd hoe ik kaastaart moest maken,
ook al durfde ik er nog niet van te eten.
Back to Top