Jaklientje

Mijn kater legde een muizenlijkje op de vloer naast de tafelpoot. In de verte was het een donkere vlek, een grillige vorm aan een draadje, het viel niet op in het geheel van de kamer. ‘Jaklientje,’ dacht ik, en ik sprak de naam drie keer uit om te proeven of hij wel naar dode muis smaakte.
 
Ik legde de muis op het blauwe deksel van een tupperware doosje, een vierkant, van die doosjes die je gebruikt om soep in te bewaren. Ze paste er precies in, behalve haar staart, die hing een beetje over de rand. Het einde van die staart was een lus, zoals een koord aan een muziekknuffel, en ik trok aan de staart van Jaklientje tot ze geluid maakte, maar ze verschoof alleen een beetje.
 
Ik legde het lijkje op de vensterbank omdat ik wilde zien hoe ze verging. Dat wilde ik vaker, zien hoe dingen vergaan. Planten, een appel, alles wat tijdelijk is, maar niet als het mensen zijn.
 
De voorpoten van de muis waren gekromd, je kon haar ergens over haken. Het oor waarop ze lag was verfrommeld, zoals spek wanneer het gebakken wordt, en het bleef zo staan omdat ze dood was. Op haar vacht was gekauwd, dat zag je, dus ik bestudeerde het gebit van mijn kat of ik zijn tandafdrukken herkende. Een boog kleine gaatjes en links moest er een gat zijn, want daar had hij een kankergezwel.
 
Aan de zichtbare kant van haar kop had de muis geen oog meer. Het was een gaatje, zoals een gaatje waar je een naald door haalt, en ik zag het voor me, hoe ze aan een draad geregen werd, een sleutelhanger, ik was blij dat ze al dood was.
 
Na drie dagen op de vensterbank was Jaklientje gekrompen. Ze leek niet meer op een slapende muis die toevallig dood was, maar op iets weerloos, een velletje met klitten eromheen. Ik nam haar omtrek met een lintmeter, ze was al voor de helft verdwenen, alleen de staart bleef intact. Ik probeerde een lijst te bedenken van dingen die intact blijven, maar zelfs de kleur van inktvissen verandert. En vroeger lustte ik slagroom, en nu niet meer.
 
De lucht boven de muis had toefjes slagroom. Ze zeggen dat de hemel bestaat uit springkastelen. Als er al een hemel was, dan wou ik dat Jaklientje stopte met verdwijnen, want zonder zwaartekracht zou ze alleen maar kunnen liggen, tot iemand vlak naast haar sprong en ze omhoog veerde.












Reveil

Wat is missen? vroeg ik.
 
We stonden bij een bankje waar iemand Ik mis je in had gekerfd. Het waren hoekige letters, omdat het moeilijk is om ronde vormen in hout te krassen. De S was een bliksemflits. Zo voelt het, zei je, missen. Alsof het al een hele tijd regent en dan alles verlicht wordt, en dat je dan ziet dat de grond aan het wegspoelen is.
 
Dat er geen bodem meer is, zei ik. Ja, zei je.
Ik wou dat de grond zo stevig was, zei ik, dat die nooit kon wegspoelen. En ik vroeg het je, of jij ook zou weggaan, en je zei Nee, en ik geloofde je, want ik dacht dat je altijd alles wist.
 
Maar je ging wel weg. Je werd je eigen regenbui en spoelde jezelf weg met je verdriet. Ik bouwde dammen en probeerde je vast te houden, maar je glipte tussen mijn vingers. Ik mis je, zei ik. Ik zei het tegen de vogels, de bomen, de bankjes die ik tegenkwam.
 
Je afwezigheid regende overal waar ik keek.

Okkernoot

Als hersenen geen voeding krijgen, verharden ze.
Ze zien er dan uit zoals een okkernoot
en je schedel is de dop.
 
Vroeger dacht ik dat therapeuten notenkrakers waren.
Dat ze je hoofd open knakten
en de bittere velletjes rond je hersenen weg plukten.
 
Dat is niet waar.
Je moet in je eigen hoofd kruipen
en met je vinger langs je hersenschors wrijven.
Je moet waarderen dat die je cellen beschermt
en de kevers buiten houden die je bast opeten.
 
En dan moet je ze onderhouden.
Je moet je hersenen zoveel zachtheid geven
dat ze terug week worden.
Als ze week zijn, moet je ze voeden.
Ze laten zwemmen in gezonde vetten
tot ze gerimpeld worden van het nat zijn.
 
Therapeuten zijn zwemleraars
die voordoen hoe je met okkernootspieren
flexibel kan worden.

Appel

De eerste keer dat ik op de weegschaal stond,
zette ik hem op acht verschillende plaatsen.
Vijf van de acht keer woog ik iets anders.
Drie keer woog ik hetzelfde.
 
Ik wilde weten waar de zwaartekracht gelijk was
en nam een krijtje om de zone af te bakenen.
Ik dacht Als ik binnen de lijnen blijf,
neem ik altijd even veel ruimte in.
 
Er stond een cirkel op de vloer.
Mensen die langs kwamen vroegen Wat is het.
Ik ging in het zwaartepunt staan
en zei Hierin ben ik onveranderlijk.
 
Een man vroeg Blijf je daar.
Ik zei Ik weet het niet.
Hij nam een hap van zijn appel
en las de definitie van onveranderlijkheid voor:
als iets steeds hetzelfde blijft.
Synoniem: onwankelbaar.
 
Hij vroeg Ben je bang van wankelen.
Ik zei Ja, omdat je dan alle kanten op valt.
Hij keek naar de vorm van zijn appel
en zei Appels vallen loodrecht naar beneden.
Misschien moet je symmetrisch zijn.
 
Dus schaafde ik mijn lichaam bij.
Verdeelde ik mijn gewicht symmetrisch over mijn benen.
Ik ging op één voet op de weegschaal staan,
en dan op de andere,
en ik schaafde
tot beide helften van mijn lichaam even zwaar waren.
 
Ik viel flauw.
Loodrecht voorover.
Het had gewerkt.

Komkommers

Ik heb teveel longen om te vullen.
Ze zegt Je moet ademen, ik heb een zakje.
Snuif zuurstof op, blaas koolstofdioxide uit.
We doen het samen.

Ik vind het eng om in een zakje te blazen,
omdat alles wat ik dan weg blaas in het zakje gevangen zit,
en ik het dan misschien terug inadem.

Ze zegt Koolstofdioxide is doorzichtig.
Je ziet niet wat je uitademt.
Ik zeg Ik ben bang van dingen die ik niet zie.
Ze nemen vaak de meeste plaats in.
En ik blaas het zakje tot een luchtballon.

Het is een witte ballon.
We maken een knoopje met de lussen
en kaatsen mijn koolstofdioxide heen en weer.

Ze zegt Jij bent ook doorzichtig.
Als je bang bent, zie ik wat erachter zit.

Voor anderen was ik onduidelijk.
Bestond ik vanbinnen uit dichte mist.
Ze zeiden Je beperkt het zicht, je laat ons botsen.
Dan zweeg ik, en hield ik mijn adem in.

Het zakje landt op de grond naast onze voeten.
Ik raap het op, het ruikt naar komkommers.
Op de buitenkant staat Antibacterieel.
Ik zeg Iemand wilde veilig eten.
 
Ik wil ook veilig eten. 
Ze zegt Kom, wij zijn bekommerd.

 

 

Bruistablet

Als kind was ik een bruistablet.
Ik loste op zodra ik in contact met water kwam.
Toen heb ik huilen afgeleerd.
 
Ik zei Ik word emotieloos.
Toonde verdriet en geluk op commando.
Werd voorspelbaar.
 
Dus begon ik mezelf te voorspellen.
Veroorzaakte mijn eigen bijwerkingen,
verloor mijn eetlust als er iets naars gebeurde.
Ik wou dat iemand mijn bijsluiter las.

Boterhammen II

Ik ben geboren in een stad met bronzen klokken.
Ze werden bespeeld door een beiaardier
die zijn vuisten op lange stokken sloeg.
Ik vroeg Waarom doe je dat.
Hij zei Om gehoord te worden.
Les één: met je vuisten slaan.
 
Later werd ik klokkenluider.
Ik sprong naar een touw dat zwaar was
om met mijn lichaam alarm te slaan.
Les twee: je gewicht in de strijd gooien.
 
De kasseien binnenstad leek op honingraten.
Haar inwoners zoemden over de markt.
Ik zoemde niet.
Mijn vleugels gebruikte ik alleen om weg te kunnen.
Les drie: escapisme.
 
Op school lazen we magazines die de weg wezen.
Modellen werden voor ons uitgerold als rode lopers.
Dieetreclames namen alle plaats in.
We moesten bol staan van zelfvertrouwen
door aan de lijn te doen.
Les vier: transparantie.
 
Ik ken nog alle ramen waarin ik mezelf weerspiegeld zag,
en benijd de slanke schaduw die mij volgde.
Ik weet nog waar ik mijn boterhammen verkruimelde
en van welke bruggen ik naar de auto’s keek.
Les vijf: uitsterven.
 
Ik verdwaalde in een stad die veranderde.
Werd een archeoloog op zoek naar de basis.
In de Franse les leerde ik dat de toekomst simpel kan zijn.
Ik had geen hulpwerkwoord nodig om mezelf te vervoegen.
Les zes: loslaten.
 
 
(voor Jozefien V. H.)

 

Watermeloen

Ik heb onder mijn wasgoed geslapen.
Het waren broeken, t-shirts, de eerste wintertruien.
Ze roken naar watermeloen.
 
Ze dwongen mijn buik om te voelen hoe ik ademhaalde.
Ik duwde alle lucht naar mijn navel
en probeerde een kous van de stapel te ademen.
Het waren broeken, t-shirts, de eerste wintertruien.
 
Ik had de plooien nog niet gladgestreken.
Ze leken op littekens, van textiel.
Ik krijg ook littekens als ik rond gezwierd word.
In de kreukels probeerde ik vormen te herkennen.
 
Ik heb onder mijn wasgoed geslapen.
Het waren broeken, t-shirts, de eerste wintertruien.
Ze roken naar watermeloen.
Al mijn huidschilfers waren verdwenen.
 
Een man keek door het raam
en dacht dat ik niet bestond.
Ik heb onder mijn wasgoed geslapen
omdat ik een fort op mijn lichaam wilde voelen.
 
 
Voor Karolien S.

 

Eieren

Hij zegt Je rug is droog.
En hij plukt de vervelde huid eraf
zoals ik eierschalen pel.
Hoe komt dat?
 
Ik zeg Omdat ik er niet aan kan.
Als ik mezelf omarm,
raak ik alleen mijn schouderbladen aan.
Er is niemand die voor mijn rug zorgt.
 
Hij zegt Ik zal je kneden.
Neemt massageolie die ruikt naar kaneelkoekjes
en rolt me uit op een tweepersoonsbed.
 
Ik ben bang.
Hij zegt Dat mag.
Hij zegt Dit is een nest waar je je ei kwijt kan.
We maken van boterhammen soldaatjes
die we verdrinken in de geeloranje dooier. 
 
Ik neem zijn vinger en teken een lijn in de lucht,
op vijf centimeter van mijn lichaam.
Ik zeg Dit is een grens. 
Hij vraagt Heb je prikkeldraad.
Ik zeg Ja, ik heb prikkeldraad, en hoogspanning. 
 
Dus blijf daar, op veilige afstand.
 
 
(voor Ellen G.)
 
 
 

Pudding

Toen ik bang was en dacht dat ik doodging,
zag ik eruit als de letter N in spiegelschrift.
Ik zat op de grond met een rechte rug
en ik had mijn benen opgetrokken.
 
Mijn hoofd legde ik op mijn knieën.
Ik trok mijn voeten naar me toe
en sloeg mijn armen om mijn enkels.
Toen leek ik op een warhoopje.
Je kon aan mij niet zien wat ik was.
 
Er kwam een man langs.
Hij vroeg Ben je altijd zo ingewikkeld.
Ik zei Alleen als ik in de knoop zit.
Ik zal je ontknopen, zei de man,
en hij plooide me open zoals een 3D-kaart.
 
Hij vroeg Zit je vaker in de knoop.
Ik zei Ik voel me soms zoals pudding.
Ik ben bang dat ik niet kan opstijven
en dat mijn vel niet dik genoeg wordt
om mijn verdriet te beschermen.
 
De man zei Oh,
en hij vertelde over zijn eigen verdriet.
Dat het soms heel groot was
en dat hij zich dan niet kon bewegen
omdat het op zijn schouders sprong.
Maar dat het soms ook heel klein was
en hij ermee schudde zoals met een sneeuwbol,
en dat zijn tranen dan vlokjes waren.
 
Ik zei Oh,
en we zaten samen op de grond
en dachten allebei aan andere dingen.
 
De man duwde zijn vinger in mijn arm.
Ik vroeg Wat doe je, hij zei Ik prik je open,
en al mijn verdriet stroomde naar buiten.
Het was vloeibaar.
Pudding, zei hij.
Ja, knikte ik.
 

 

 

Back to Top