Watermeloen

Ik heb onder mijn wasgoed geslapen.
Het waren broeken, t-shirts, de eerste wintertruien.
Ze roken naar watermeloen.
 
Ze dwongen mijn buik om te voelen hoe ik ademhaalde.
Ik duwde alle lucht naar mijn navel
en probeerde een kous van de stapel te ademen.
Het waren broeken, t-shirts, de eerste wintertruien.
 
Ik had de plooien nog niet gladgestreken.
Ze leken op littekens, van textiel.
Ik krijg ook littekens als ik rond gezwierd word.
In de kreukels probeerde ik vormen te herkennen.
 
Ik heb onder mijn wasgoed geslapen.
Het waren broeken, t-shirts, de eerste wintertruien.
Ze roken naar watermeloen.
Al mijn huidschilfers waren verdwenen.
 
Een man keek door het raam
en dacht dat ik niet bestond.
Ik heb onder mijn wasgoed geslapen
omdat ik een fort op mijn lichaam wilde voelen.
 
 
Voor Karolien S.

 

Eieren

Hij zegt Je rug is droog.
En hij plukt de vervelde huid eraf
zoals ik eierschalen pel.
Hoe komt dat?
 
Ik zeg Omdat ik er niet aan kan.
Als ik mezelf omarm,
raak ik alleen mijn schouderbladen aan.
Er is niemand die voor mijn rug zorgt.
 
Hij zegt Ik zal je kneden.
Neemt massageolie die ruikt naar kaneelkoekjes
en rolt me uit op een tweepersoonsbed.
 
Ik ben bang.
Hij zegt Dat mag.
Hij zegt Dit is een nest waar je je ei kwijt kan.
We maken van boterhammen soldaatjes
die we verdrinken in de geeloranje dooier. 
 
Ik neem zijn vinger en teken een lijn in de lucht,
op vijf centimeter van mijn lichaam.
Ik zeg Dit is een grens. 
Hij vraagt Heb je prikkeldraad.
Ik zeg Ja, ik heb prikkeldraad, en hoogspanning. 
 
Dus blijf daar, op veilige afstand.
 
 
(voor Ellen G.)
 
 
 

Kikkererwten

Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.
Ze zegt het zonder verpinken.
Legt de bonen op dezelfde helft van het bord.
Knikkert ze één voor één naar de overkant.
 
De tafel wankelt.
Het is de eerste keer dat ze met haar eten speelt.
Ze kijkt uit het raam.
Kiest de langste rijstkorrels uit
en turft alle mensen die voorbij komen.
 
Er is niemand die naar haar kijkt.
Het is stil in huis.
Ze hoort alleen de stemmen die zwijgen.
Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.
 
Ze kookt water om de fluitketel te horen.
Laat de diepvries te lang open staan
omdat ze weet dat die gaat piepen.
Draait de radio op het geruis tussen twee posten.
Post één: een praatprogamma.
Post twee: het weerbericht.
 
Het gaat stormen.
Ze had geleerd te tellen hoe ver het onweer was.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
Ze deed het ook als mensen uitbarstten.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
Telde de seconden tussen het roepen
om te weten of ze nog veilig was.
 
Ze loopt naar het gasvuur.
Ziet wortelschijfjes in kookvocht.
Denkt aan munten in een wensput.
Ik wou dat kikkererwten konden kwaken.

Pudding

Toen ik bang was en dacht dat ik doodging,
zag ik eruit als de letter N in spiegelschrift.
Ik zat op de grond met een rechte rug
en ik had mijn benen opgetrokken.
 
Mijn hoofd legde ik op mijn knieën.
Ik trok mijn voeten naar me toe
en sloeg mijn armen om mijn enkels.
Toen leek ik op een warhoopje.
Je kon aan mij niet zien wat ik was.
 
Er kwam een man langs.
Hij vroeg Ben je altijd zo ingewikkeld.
Ik zei Alleen als ik in de knoop zit.
Ik zal je ontknopen, zei de man,
en hij plooide me open zoals een 3D-kaart.
 
Hij vroeg Zit je vaker in de knoop.
Ik zei Ik voel me soms zoals pudding.
Ik ben bang dat ik niet kan opstijven
en dat mijn vel niet dik genoeg wordt
om mijn verdriet te beschermen.
 
De man zei Oh,
en hij vertelde over zijn eigen verdriet.
Dat het soms heel groot was
en dat hij zich dan niet kon bewegen
omdat het op zijn schouders sprong.
Maar dat het soms ook heel klein was
en hij ermee schudde zoals met een sneeuwbol,
en dat zijn tranen dan vlokjes waren.
 
Ik zei Oh,
en we zaten samen op de grond
en dachten allebei aan andere dingen.
 
De man duwde zijn vinger in mijn arm.
Ik vroeg Wat doe je, hij zei Ik prik je open,
en al mijn verdriet stroomde naar buiten.
Het was vloeibaar.
Pudding, zei hij.
Ja, knikte ik.
 

 

 

Avondrood

Ik heb lang niet geweten wat het verschil tussen bloedrood en avondrood was.
Toen ik de kleuren leerde kennen,
tekende ik een zonsondergang die aan het bloeden was.
Alsof het pijn doet, ondergaan.
Alsof de horizon een echte lijn was, 
drijfzand waar de zon in wegzinkt,
of een grond waarop ze in stukken breekt.
 
Ze zeggen dat de dagen nooit voor altijd blijven duren.
Misschien moeten we denken dat er geen dagen zijn.
Dat leven alleen een ketting van momenten is, 
en dat je tussendoor dan slaapt, tot het volgende moment.
Misschien moeten we stoppen met denken dat iets ooit gedaan kan zijn.
Waar gaat een dag naartoe als hij voorbij is, 
wie verzamelt de uren die verloren zijn?
 
Ik wou dat er zoiets bestond als Hans en Grietje.
Dat je elke dag die je leeft kan verkruimelen, 
zodat je de weg terugvindt als je niet meer weet waar je was.
En dat iemand dan langskomt, en jouw maandagkruimel ziet liggen,
en denkt: wat een bijzondere dag was dat.
 
 

Boterhammen

Ik heb gisteren twee boterhammen gegeten, een bruine en een witte.
Ik heb er boter op gesmeerd en er kaas op gelegd, harde,
van die kaas die je kan breken als je de schel ver genoeg plooit.
Kaas plooien is voor viespeuken, zei mijn moeder,
omdat je er dan vingerafdrukken in duwt.
Sindsdien ben ik bang om mijn DNA achter te laten.
 
Ik heb de witte boterham als laatste opgegeten, en de bruine als eerste.
Ik heb de graantjes uit de bruine boterham geplukt
en die in een rijtje op mijn bord gelegd, van kleiner naar groter.
Het waren er zeven.
Ze vormden een zebrapad voor overstekende bacteriën.
 
Ik heb gedacht aan alle mensen die op dat moment ook boterhammen aten.
Ik heb me afgevraagd waarom sommige mensen links
en andere mensen rechts de eerste hap nemen.
Ik wilde weten hoeveel woorden er voor brood bestaan,
en hoeveel procent van de bevolking haar mes aan de bovenkant afsmeert.
 
 
Vroeger hield ik het meest van de gaten in kaas,
alsof ik dacht dat leegte beter smaakte.
Maar nu wil ik weten hoe het is om opgevuld te worden.


Hoe het is om bang te zijn

Toen ik bang was, dacht ik dat ik doodging, en ik wist niet hoe dat eruit zag. 
Ik was heel snel aan het ademen,
alsof ik te veel longen had die allemaal tegelijk gevuld moesten worden.
Ik zat op de grond in de vorm van een hekje, zo |/|, met een schuine balk in het midden.
Er kwam iemand langs die vroeg of ik altijd zo houterig ben.
Ik zei: nee, alleen als ik verstijf.
 
Hij zei dat hij stijf alleen maar kende van pudding.
Ik zei dat het daarop leek, op flan uit potjes die je moest omdraaien,
omdat ik me voorgevormd voelde, en toch wankel.
Ik wou dat iemand mij met een lepeltje open prikte. 
 
Ik dacht dat mijn hart zo snel klopte dat het uit mijn borst viel.
Als dat echt gebeurde, propte ik de leegte vol met watten,
omdat zachtheid de dingen kon uitpluizen.
 
Een jongen legde een hand op mijn schouder. 
Zijn vingers vormden zich als een kapsel rond mijn gewricht.
Hij vroeg: waar denk je aan?
 
Ik zei: aan doodgaan,
en aan niet meer weten uit welke delen je bestaat.
Hij zei: je hebt een hoofd, twee armen, twee benen en iets daartussen,
maar ik weet niet hoe je er vanbinnen uitziet. 
Ik ook niet, zei ik, en dat vind ik heel eng. 
Ik vroeg of hij een zaklamp had, zodat we mij samen konden verlichten.
 
Ergens verderop stapte een man van zijn fiets. 
Hij had een wolk vast, aan een touwtje. 
Ik heb wat lucht voor je gevangen, zei hij. 
 
Ik droomde die nacht dat ik op al mijn longen danste. 
De vingers van de jongen waren grassprieten die mijn tenen kietelden.
Hij vroeg: waar denk je aan?
Ik zei: ik ben alleen maar ademloos. 
 
 
 
 
 
 
 
 

Heremietkreeften

Toen ik acht werd, kreeg ik van mijn vader een doosje zeelucht. 
Hij had alle lucifers opgebrand en in een schaaltje gelegd,
en het lege doosje had hij in de zak van zijn jas gestoken.
Op een avond was hij ermee naar het strand gewandeld om de wind beet te nemen. 
Hoe lang moet je blijven staan om een geur te vangen?
 
Ik was er heel spaarzaam op.
Ik opende het op een kier en rook er alleen aan op zondagen, 
want ik wist niet hoe lang geuren bewaard bleven, 
en ook niet of ik dan beter in of buiten het doosje uitademde.
 
Die zomer had ik besloten dat ik van de zee hield.
Ik raakte het water aan met twee tenen, maar het trok zich terug.
Ik riep naar de zee waarom ze steeds wegging, en dat ze moest terugkomen,
en dat deed ze, en dan ging ze weer weg. 
Ik speelde er tikkertje mee. 
 
Mijn moeder dacht dat ze een golfbreker was. 
Ze ging voor de golven staan met gespreide armen 
en haar benen stevig in het zand gedrukt. 
Ze zei dat wij achter haar moesten staan, op een rij.
Zo zag het eruit om samen tegen iets bestand te zijn.
 
Rond een schelp zag ik heremietkreeften stoelendans spelen.
Ik zei: ik wou dat ik ook mijn huis kon kiezen.
 
Een kind struikelde over een zandkorrel toen het naar een frisbee rende. 
Hij viel in stukken, eerst zijn voeten, dan zijn knieën, zijn benen, en zijn romp.
Ik vroeg of hij dat altijd zo deed, en hij zei dat mensen nooit in één keer vallen.
Sindsdien vraag ik me telkens af welk deel van mij gevallen is. 
 
In de kerker van mijn zandkasteel begroef ik een doosje.
Jaren later spoelde het aan, en ik wist niet meer wat ik erin gevangen had.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Dingen die je over mij mag weten

 
- Afrika. ik studeerde Afrikaanse talen en culturen, in een kelderlokaal waar we de riolering hoorden.
- blauw. dat vind ik een interessante kleur, omdat ze veel kan vertellen.
C - chocolademelk. ik drink het liefst fondant chocolademelk die niet opgeroerd is, omdat de melk dan licht zoet is en je de chocolade er kan uitlepelen die gesmolten op de bodem ligt.
- dolfijn. ooit wou ik onze tuin omspitten tot een zee waar dolfijnen in woonden.
E
F - fruit. ik weet nog altijd niet of ik appels of peren het lekkerst vind.
G - gretig. dat vind ik een mooi woord. het wil zeggen dat je iets heel graag wil, en dat is soms het eerlijkste wat je kan denken.
H - herfst. ik wou dat het altijd naar dennenappels rook.
I -
J -
K - Kristien. zo heet ik. ik vind het de mooiste naam van de wereld, omdat hij van mij is.
L
M
- Nestor. zo heet mijn kat. hij is 12 en hij ruikt naar oude stofjes.
O
P
Q
R
S
T - turnen. ik ruik graag aan de bovenkant van oude turnplinten.
U -
V - veelzeggend. zo zou ik mezelf in één woord omschrijven.
W - wintereik. als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
- xylofoon. dat is een woord met een x.
Y - Yamaha. ik leerde muziekspelen van een meester die kerstlichtjes op de venstertabletten brandde.
Z - zee. ik hou het meest van hoe ze klinkt als er geen golven zijn.

Toon Tellegen

 
ik zag een week terug Toon Tellegen ik ging helemaal alleen ik zat vanboven het leek van daaruit alsof hij hele korte beentjes had ik kon pas na de voorstelling zien hoe hij eruit zag want ik had alleen zijn hoofd in bovenaanzicht gezien dat was kaal met koalaplukken witte haren

er was een tafel ik kocht een boek waarin de taarten van de dieren gemaakt worden ik dacht dat is leuk want soms vind ik het moeilijk om te eten ik zei dat tegen Toon hij lachte hij signeerde mijn boek hij schreef voor Kristien ik gaf hem een kaartje hij vroeg of ik van Gent was hij zei dank je wel wat leuk ik ga naar je website kijken

nu lig ik in mijn bed gemaakt van bananenplanten ik blader in het boek ik lees taart van grind, algen en zachte modder die moet je op een omgekeerde taartschaal zetten zodat de zachter modder er mooi een beetje af kan druipen.
Back to Top