Heremietkreeften

Toen ik acht werd, kreeg ik van mijn vader een doosje zeelucht. 
Hij had alle lucifers opgebrand en in een schaaltje gelegd,
en het lege doosje had hij in de zak van zijn jas gestoken.
Op een avond was hij ermee naar het strand gewandeld om de wind beet te nemen. 
Hoe lang moet je blijven staan om een geur te vangen?
 
Ik was er heel spaarzaam op.
Ik opende het op een kier en rook er alleen aan op zondagen, 
want ik wist niet hoe lang geuren bewaard bleven, 
en ook niet of ik dan beter in of buiten het doosje uitademde.
 
Die zomer had ik besloten dat ik van de zee hield.
Ik raakte het water aan met twee tenen, maar het trok zich terug.
Ik riep naar de zee waarom ze steeds wegging, en dat ze moest terugkomen,
en dat deed ze, en dan ging ze weer weg. 
Ik speelde er tikkertje mee. 
 
Mijn moeder dacht dat ze een golfbreker was. 
Ze ging voor de golven staan met gespreide armen 
en haar benen stevig in het zand gedrukt. 
Ze zei dat wij achter haar moesten staan, op een rij.
Zo zag het eruit om samen tegen iets bestand te zijn.
 
Rond een schelp zag ik heremietkreeften stoelendans spelen.
Ik zei: ik wou dat ik ook mijn huis kon kiezen.
 
Een kind struikelde over een zandkorrel toen het naar een frisbee rende. 
Hij viel in stukken, eerst zijn voeten, dan zijn knieën, zijn benen, en zijn romp.
Ik vroeg of hij dat altijd zo deed, en hij zei dat mensen nooit in één keer vallen.
Sindsdien vraag ik me telkens af welk deel van mij gevallen is. 
 
In de kerker van mijn zandkasteel begroef ik een doosje.
Jaren later spoelde het aan, en ik wist niet meer wat ik erin gevangen had.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top