Hoe het is om bang te zijn

Toen ik bang was, dacht ik dat ik doodging, en ik wist niet hoe dat eruit zag. 
Ik was heel snel aan het ademen,
alsof ik te veel longen had die allemaal tegelijk gevuld moesten worden.
Ik zat op de grond in de vorm van een hekje, zo |/|, met een schuine balk in het midden.
Er kwam iemand langs die vroeg of ik altijd zo houterig ben.
Ik zei: nee, alleen als ik verstijf.
 
Hij zei dat hij stijf alleen maar kende van pudding.
Ik zei dat het daarop leek, op flan uit potjes die je moest omdraaien,
omdat ik me voorgevormd voelde, en toch wankel.
Ik wou dat iemand mij met een lepeltje open prikte. 
 
Ik dacht dat mijn hart zo snel klopte dat het uit mijn borst viel.
Als dat echt gebeurde, propte ik de leegte vol met watten,
omdat zachtheid de dingen kon uitpluizen.
 
Een jongen legde een hand op mijn schouder. 
Zijn vingers vormden zich als een kapsel rond mijn gewricht.
Hij vroeg: waar denk je aan?
 
Ik zei: aan doodgaan,
en aan niet meer weten uit welke delen je bestaat.
Hij zei: je hebt een hoofd, twee armen, twee benen en iets daartussen,
maar ik weet niet hoe je er vanbinnen uitziet. 
Ik ook niet, zei ik, en dat vind ik heel eng. 
Ik vroeg of hij een zaklamp had, zodat we mij samen konden verlichten.
 
Ergens verderop stapte een man van zijn fiets. 
Hij had een wolk vast, aan een touwtje. 
Ik heb wat lucht voor je gevangen, zei hij. 
 
Ik droomde die nacht dat ik op al mijn longen danste. 
De vingers van de jongen waren grassprieten die mijn tenen kietelden.
Hij vroeg: waar denk je aan?
Ik zei: ik ben alleen maar ademloos. 
 
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top