Boterhammen

Ik heb gisteren twee boterhammen gegeten, een bruine en een witte.
Ik heb er boter op gesmeerd en er kaas op gelegd, harde,
van die kaas die je kan breken als je de schel ver genoeg plooit.
Kaas plooien is voor viespeuken, zei mijn moeder,
omdat je er dan vingerafdrukken in duwt.
Sindsdien ben ik bang om mijn DNA achter te laten.
 
Ik heb de witte boterham als laatste opgegeten, en de bruine als eerste.
Ik heb de graantjes uit de bruine boterham geplukt
en die in een rijtje op mijn bord gelegd, van kleiner naar groter.
Het waren er zeven.
Ik word er rustig van als ik het begin van dingen kan zien.
 
Ik was de korstjes van de kaas vergeten.
Er zijn in de wereld drie soorten mensen.
De eerste soort snijdt de korstjes weg met een mes.
Sommigen doen dat minutieus,
alsof ze bang zijn dat het snijden niet evenwijdig met de rand van de kaas gebeurt.
Anderen doen het slordig.
De tweede soort prutst de korstjes los met de vingers.
Het voordeel voor de tweede soort is dat ze gaandelings meer kaas over houden dan de eerste soort.
De derde soort is een pseudosoort.
Gewoonlijk vergeten ze de korstjes.
Als ze de fout op tijd inzien, veranderen ze hun gedrag naar dat van de eerste of de tweede soort.
Als ze dat niet doen, belanden de korstjes onopgemerkt in hun lichaam.
 
Ik heb gedacht aan alle mensen die op dat moment ook boterhammen aten.
Ik heb me afgevraagd waarom sommige mensen links
en andere mensen rechts de eerste hap nemen.
Ik wilde weten hoeveel woorden er voor brood bestaan,
en hoeveel procent van de bevolking haar mes aan de bovenkant afsmeert.
Hoe zou het zijn als je wist waar in de wereld
iemand op dezelfde seconde zijn tanden in een boterham zette?
 
Vroeger hield ik het meest van de gaten in de kaas,
alsof ik toen al dacht dat leegte beter smaakte.
Maar nu wil ik weten hoe het is om opgevuld te worden.


Back to Top