Avondrood

Ik heb lang niet geweten wat het verschil tussen bloedrood en avondrood was.
Toen ik de kleuren leerde kennen,
tekende ik een zonsondergang die aan het bloeden was.
Alsof het pijn doet, ondergaan.
Alsof de horizon een echte lijn was, 
drijfzand waar de zon in wegzinkt,
of een grond waarop ze in stukken breekt.
 
Ze zeggen dat de dagen nooit voor altijd blijven duren.
Misschien moeten we denken dat er geen dagen zijn.
Dat leven alleen een ketting van momenten is, 
en dat je tussendoor dan slaapt, tot het volgende moment.
Misschien moeten we stoppen met denken dat iets ooit gedaan kan zijn.
Waar gaat een dag naartoe als hij voorbij is, 
wie verzamelt de uren die verloren zijn?
 
Ik wou dat er zoiets bestond als Hans en Grietje.
Dat je elke dag die je leeft kan verkruimelen, 
zodat je de weg terugvindt als je niet meer weet waar je was.
En dat iemand dan langskomt, en jouw maandagkruimel ziet liggen,
en denkt: wat een bijzondere dag was dat.
 
Laatst zag ik een onweer in de verte.
Iemand had me geleerd dat ik moest tellen.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig, tussen de donderslagen.
Zo kon je weten of het onweer zich op een veilige afstand bevond.
Soms, als iemand boos wordt, doe ik hetzelfde.
Ik tel de seconden tussen de woorden om te weten of ik nog veilig ben.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.
Tot de zon weer opkomt.
Back to Top