Pudding

Toen ik bang was en dacht dat ik doodging,
zag ik eruit als de letter N in spiegelschrift.
Ik zat op de grond met een rechte rug
en ik had mijn benen opgetrokken.
 
Mijn hoofd legde ik op mijn knieën.
Ik trok mijn voeten naar me toe
en sloeg mijn armen om mijn enkels.
Toen leek ik op een warhoopje.
Je kon aan mij niet zien wat ik was.
 
Er kwam een man langs.
Hij vroeg Ben je altijd zo ingewikkeld.
Ik zei Alleen als ik in de knoop zit.
Ik zal je ontknopen, zei de man,
en hij plooide me open zoals een 3D-kaart.
 
Hij vroeg Zit je vaker in de knoop.
Ik zei Ik voel me soms zoals pudding.
Ik ben bang dat ik niet kan opstijven
en dat mijn vel niet dik genoeg wordt
om mijn verdriet te beschermen.
 
De man zei Oh,
en hij vertelde over zijn eigen verdriet.
Dat het soms heel groot was
en dat hij zich dan niet kon bewegen
omdat het op zijn schouders sprong.
Maar dat het soms ook heel klein was
en hij ermee schudde zoals met een sneeuwbol,
en dat zijn tranen dan vlokjes waren.
 
Ik zei Oh,
en we zaten samen op de grond
en dachten allebei aan andere dingen.
 
De man duwde zijn vinger in mijn arm.
Ik vroeg Wat doe je, hij zei Ik prik je open,
en al mijn verdriet stroomde naar buiten.
Het was vloeibaar.
Pudding, zei hij.
Ja, knikte ik.
 

 

 

Back to Top