Appel

De eerste keer dat ik op de weegschaal stond,
zette ik hem op acht verschillende plaatsen.
Vijf van de acht keer woog ik iets anders.
Drie keer woog ik hetzelfde.
 
Ik wilde weten waar de zwaartekracht gelijk was
en nam een krijtje om de zone af te bakenen.
Ik dacht Als ik binnen de lijnen blijf,
neem ik altijd even veel ruimte in.
 
Er stond een cirkel op de vloer.
Mensen die langs kwamen vroegen Wat is het.
Ik ging in het zwaartepunt staan
en zei Hierin ben ik onveranderlijk.
 
Een man vroeg Blijf je daar.
Ik zei Ik weet het niet.
Hij nam een hap van zijn appel
en las de definitie van onveranderlijkheid voor:
als iets steeds hetzelfde blijft.
Synoniem: onwankelbaar.
 
Hij vroeg Ben je bang van wankelen.
Ik zei Ja, omdat je dan alle kanten op valt.
Hij keek naar de vorm van zijn appel
en zei Appels vallen loodrecht naar beneden.
Misschien moet je symmetrisch zijn.
 
Dus schaafde ik mijn lichaam bij.
Verdeelde ik mijn gewicht symmetrisch over mijn benen.
Ik ging op één voet op de weegschaal staan,
en dan op de andere,
en ik schaafde
tot beide helften van mijn lichaam even zwaar waren.
 
Ik viel flauw.
Loodrecht voorover.
Het had gewerkt.
Back to Top