Schrijven en brunchen #2: Duiven

Mijn meter had duiven. Een aantal keer per jaar belde ze iedereen op, mijn oom en tante, een andere tante, mijn vader en moeder, de kinderen. Die belde ze niet op, de kinderen, die gingen vanzelf mee, want als kind hoor je te zijn waar je ouders zijn. Het was meestal een zaterdag.
 
De duiven moesten dood. Zo stond het ook in de agenda van mijn moeder: 'Namiddag - duiven dooddoen', alsof niet het samen zijn ons verbond, maar wel het bloed dat aan onze handen kleefde. De avond voordien stopte mijn meter de ongelukkigen in een til, een stuk hok met kippengaas waarin ze als regenwormen over elkaar kronkelden, ik begreep niet waarom sommige duiven wel en andere niet dood moesten. Eén voor één werden ze gehaald, haar handen rond de vleugels, de slachtbank op.
 
Ik weet niet of de duiven hun vrienden hoorden doodgaan, want als duiven doodgaan krijsen ze niet, ze flapperen alleen heel hard, en als hun kopje neervalt, drupt het bloed uit hun nek zoals een waterval. Ik heb nooit een stervende duif in mijn handen gehad, ik heb ook nooit gevraagd of ze dan lichter werden als ze leeg liepen.
 
Mijn moeder moest de veertjes plukken. Soms klitten veertjes aan elkaar als ze van een huid getrokken worden. Dan had je een wolkje duif, als de duif wit was, je kon er een kindertekening van maken, van die tekeningen waarbij je eerst lijm moet smeren en er dan vanalles op plakt. De meeste duiven waren wit. Sommige waren bruin.
 
Na het plukken werden de ingewanden verwijderd, dat deed mijn vader. Ik haatte dat deel het meest, want hoewel we de deur van de living naar de keuken toe deden, kroop de geur toch door het sleutelgat, de geur van dood en van dingen die diep vanbinnen zitten.
Back to Top