Ik ga niet weg

‘Maar ik ga niet weg,’ zegt ze. 
Ze klinkt alsof ze het belooft, maar ik ben bang dat ze op een dag opstaat, haar jas aantrekt, de deur uit loopt en begint te rennen, steeds verder, steeds harder, langs populieren, straten, raamkozijnen, een bos in, een wijk door, en dat ze dan plots stil staat, tussen twee geparkeerde auto’s in, en genoeg van me heeft. 
 
Ik wou dat ik niet zo dacht. 
Maar je kan je gedachten niet willen, dat heb ik geleerd, dat denken een soort van willekeur is, met de natte vinger aangeraakt, en dat de gedachte die je denkt even goed een andere gedachte kan zijn. 
 
Ik wou dat ik wat ze zei in een boek kon lijmen 
waarin ik alle beloftes van iedereen die niet mocht weggaan bewaarde. Ik nam dat boek dan in mijn handen, bladerde erin, glimlachte en slaakte af en toe een zucht, zo van: Dié, die gaan niet weg. Ik wou dat ze haar handtekening eronder zette, rechts onderaan in een balkje, duidelijk leesbaar, en dat ik als ik dacht dat ze wegging dat boek dan tevoorschijn kon halen: ‘Dat gaat niet, je hebt het beloofd.’
 
‘Ik ga niet weg,’ herhaalt ze.
Ik wou dat ik het geloofde. Dat één keer zeggen voldoende was, maar ik ben bang dat dingen verdwijnen als je ze lang genoeg niet uitspreekt. 
 
Bang loop ik naar de badkamer,
trek mijn kamerjas aan, span het lint strak rond mijn buik, ik leg er een dubbele knoop in.
Ik wil geloven dat het armen zijn, armen die mij stevig vasthouden en nooit meer loslaten.
 
Back to Top