Avondrood

Ik heb lang niet geweten wat het verschil tussen bloedrood en avondrood was.
Toen ik de kleuren leerde kennen,
tekende ik een zonsondergang die aan het bloeden was.
Alsof het pijn doet, ondergaan.
Alsof de horizon een echte lijn was, 
drijfzand waar de zon in wegzinkt,
of een grond waarop ze in stukken breekt.
 
Ze zeggen dat de dagen nooit voor altijd blijven duren.
Misschien moeten we denken dat er geen dagen zijn.
Dat leven alleen een ketting van momenten is, 
en dat je tussendoor dan slaapt, tot het volgende moment.
Misschien moeten we stoppen met denken dat iets ooit gedaan kan zijn.
Waar gaat een dag naartoe als hij voorbij is, 
wie verzamelt de uren die verloren zijn?
 
Ik wou dat er zoiets bestond als Hans en Grietje.
Dat je elke dag die je leeft kan verkruimelen, 
zodat je de weg terugvindt als je niet meer weet waar je was.
En dat iemand dan langskomt, en jouw maandagkruimel ziet liggen,
en denkt: wat een bijzondere dag was dat.
 
 

Boterhammen

Ik heb gisteren twee boterhammen gegeten, een bruine en een witte.
Ik heb er boter op gesmeerd en er kaas op gelegd, harde,
van die kaas die je kan breken als je de schel ver genoeg plooit.
Kaas plooien is voor viespeuken, zei mijn moeder,
omdat je er dan vingerafdrukken in duwt.
Sindsdien ben ik bang om mijn DNA achter te laten.
 
Ik heb de witte boterham als laatste opgegeten, en de bruine als eerste.
Ik heb de graantjes uit de bruine boterham geplukt
en die in een rijtje op mijn bord gelegd, van kleiner naar groter.
Het waren er zeven.
Ze vormden een zebrapad voor overstekende bacteriën.
 
Ik heb gedacht aan alle mensen die op dat moment ook boterhammen aten.
Ik heb me afgevraagd waarom sommige mensen links
en andere mensen rechts de eerste hap nemen.
Ik wilde weten hoeveel woorden er voor brood bestaan,
en hoeveel procent van de bevolking haar mes aan de bovenkant afsmeert.
 
 
Vroeger hield ik het meest van de gaten in kaas,
alsof ik dacht dat leegte beter smaakte.
Maar nu wil ik weten hoe het is om opgevuld te worden.


Hoe het is om bang te zijn

Toen ik bang was, dacht ik dat ik doodging, en ik wist niet hoe dat eruit zag. 
Ik was heel snel aan het ademen,
alsof ik te veel longen had die allemaal tegelijk gevuld moesten worden.
Ik zat op de grond in de vorm van een hekje, zo |/|, met een schuine balk in het midden.
Er kwam iemand langs die vroeg of ik altijd zo houterig ben.
Ik zei: nee, alleen als ik verstijf.
 
Hij zei dat hij stijf alleen maar kende van pudding.
Ik zei dat het daarop leek, op flan uit potjes die je moest omdraaien,
omdat ik me voorgevormd voelde, en toch wankel.
Ik wou dat iemand mij met een lepeltje open prikte. 
 
Ik dacht dat mijn hart zo snel klopte dat het uit mijn borst viel.
Als dat echt gebeurde, propte ik de leegte vol met watten,
omdat zachtheid de dingen kon uitpluizen.
 
Een jongen legde een hand op mijn schouder. 
Zijn vingers vormden zich als een kapsel rond mijn gewricht.
Hij vroeg: waar denk je aan?
 
Ik zei: aan doodgaan,
en aan niet meer weten uit welke delen je bestaat.
Hij zei: je hebt een hoofd, twee armen, twee benen en iets daartussen,
maar ik weet niet hoe je er vanbinnen uitziet. 
Ik ook niet, zei ik, en dat vind ik heel eng. 
Ik vroeg of hij een zaklamp had, zodat we mij samen konden verlichten.
 
Ergens verderop stapte een man van zijn fiets. 
Hij had een wolk vast, aan een touwtje. 
Ik heb wat lucht voor je gevangen, zei hij. 
 
Ik droomde die nacht dat ik op al mijn longen danste. 
De vingers van de jongen waren grassprieten die mijn tenen kietelden.
Hij vroeg: waar denk je aan?
Ik zei: ik ben alleen maar ademloos. 
 
 
 
 
 
 
 
 

Dingen die je over mij mag weten

 
- Afrika. ik studeerde Afrikaanse talen en culturen, in een kelderlokaal waar we de riolering hoorden.
- blauw. dat vind ik een interessante kleur, omdat ze veel kan vertellen.
C - chocolademelk. ik drink het liefst fondant chocolademelk die niet opgeroerd is, omdat de melk dan licht zoet is en je de chocolade er kan uitlepelen die gesmolten op de bodem ligt.
- dolfijn. ooit wou ik onze tuin omspitten tot een zee waar dolfijnen in woonden.
E
F - fruit. ik weet nog altijd niet of ik appels of peren het lekkerst vind.
G - gretig. dat vind ik een mooi woord. het wil zeggen dat je iets heel graag wil, en dat is soms het eerlijkste wat je kan denken.
H - herfst. ik wou dat het altijd naar dennenappels rook.
I -
J -
K - Kristien. zo heet ik. ik vind het de mooiste naam van de wereld, omdat hij van mij is.
L
M
- Nestor. zo heet mijn kat. hij is 12 en hij ruikt naar oude stofjes.
O
P
Q
R
S
T - turnen. ik ruik graag aan de bovenkant van oude turnplinten.
U -
V - veelzeggend. zo zou ik mezelf in één woord omschrijven.
W - wintereik. als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
- xylofoon. dat is een woord met een x.
Y - Yamaha. ik leerde muziekspelen van een meester die kerstlichtjes op de venstertabletten brandde.
Z - zee. ik hou het meest van hoe ze klinkt als er geen golven zijn.

Toon Tellegen

 
ik zag een week terug Toon Tellegen ik ging helemaal alleen ik zat vanboven het leek van daaruit alsof hij hele korte beentjes had ik kon pas na de voorstelling zien hoe hij eruit zag want ik had alleen zijn hoofd in bovenaanzicht gezien dat was kaal met koalaplukken witte haren

er was een tafel ik kocht een boek waarin de taarten van de dieren gemaakt worden ik dacht dat is leuk want soms vind ik het moeilijk om te eten ik zei dat tegen Toon hij lachte hij signeerde mijn boek hij schreef voor Kristien ik gaf hem een kaartje hij vroeg of ik van Gent was hij zei dank je wel wat leuk ik ga naar je website kijken

nu lig ik in mijn bed gemaakt van bananenplanten ik blader in het boek ik lees taart van grind, algen en zachte modder die moet je op een omgekeerde taartschaal zetten zodat de zachter modder er mooi een beetje af kan druipen.

Wat is je lievelingsgeluid

 
wat is je lievelingsgeluid? vroeg ze.
hij dacht even na.
 
een lucifer die aangestoken wordt.
een kloppend hart in een stethoscoop.
hoe dromende honden ademen.
het toeklikken van haarspeldjes.
als je je ogen sluit en de trein hoort aankomen.
een schaar in dik papier.
een rollercoaster zonder mensen erin.
en hoe je kreunt als je je ‘s morgens uitrekt.

 

Dingen die ik leuk vind aan mijn huis

 
dingen die ik leuk vind aan mijn huis:
 
1. de opstapjes, en dat mijn bed op het hoogste niveau staat.
2. dat de warmtepomp ver genoeg van de tafel hangt om de kaarsen niet uit te blazen, maar dicht genoeg bij de tafel hangt om hun vlammen te laten dansen.
3. het geluid dat de kaarsen maken als ze met een lucifer aangestoken worden.
4. dat ik er geen weegschaal heb.
5. dat mijn bed gemaakt is van bananenplanten, en dat er iemand is die zegt dat ik dan in een banaan slaap.
6. dat de vloer plekjes heeft met interessante vormen.
7. dat ik gedichten op de muur verzamel.
8. dat de boeken in mijn boekenkast geen logische volgorde hebben, en dat ik dan nooit weet welke boeken ik eigenlijk heb en altijd verrast word.
9. dat ik niet alleen ben als ik de radio aan zet.
10. dat ik ook niet alleen ben als ik mijn teddybeer knuffel.
11. dat de vloer gezellig scheef ligt. 
12. dat ik op mijn tippen moet staan om in de badkamer door het raam naar buiten te kijken.
13. dat mijn douche zo klein is dat ik er perfect onder pas, en mensen die groter zijn niet.
14. dat de werkmannen de muur niet herschilderen toen ze de kachels verwijderden. er zijn drie lagen levens te zien om over na te denken.
 
dingen die ik niet leuk vind aan mijn huis:
 
1. dat mijn gordijn opplooit als ik ze open doe, omdat er een schommelstoel tegen staat.
2. dat de planten doodgaan.
3. dat ik nog geen bordenwisser heb gevonden voor het krijtbord.
4. dat ik altijd bang ben dat ik waterkringen op de tafel ga maken, maar dat ik het ook jammer vind om een tafelkleed te leggen, omdat het zo’n mooie tafel is.
5. dat de waterketel stottert als hij te vol is.
6. dat ik niet graag theezakjes open maak, maar wel graag thee drink. dat ik daarom soms koffie drink als ik eigenlijk thee wil.
7. dat mijn staanlamp aan de andere kant van het bed staat, en dat ik die toch niet wil verhuizen en ook niet aan de andere kant van het bed wil gaan liggen.
8. dat ik de regen niet kan voelen.

 

Na de voorronde van Naft voor Woord

 
de trein heeft 55 minuten vertraging
omdat er een persoon moest opgeruimd worden.
op het perron pruts ik aan de chocolade van een Snickers.
ik heb bier gewonnen, maar dat drink ik niet.
ik wil het wel ruiken,
dus ik probeer het kroonkurkje met mijn sleutel los te wrikken.
dat lukt niet, en ik voel me plots verdrietig
omdat ik niet weet hoe ik een bierflesje moet openmaken.
 
het is de sleutel van mijn brievenbus.
die is zwart, de bovenste van vier.
het voetpad loopt een beetje af,
ik moet op mijn tippen staan om de post te halen.
ik durf de onderbuur niet te vragen
of ik van brievenbus mag wisselen.
 
op de roltrap verschijnt het hoofd van een man,
en dan zijn lichaam.
hij geeft me zijn visitekaartje (Leo, freelancer)
en zegt dat hij oud is, maar wel Facebook heeft.
u bent helemaal niet oud, wil ik zeggen,
maar ik lach alleen maar,
en ik zeg dat ik ook een visitekaartje heb.
 
ik geef hem een biertje.
Maneblusser, dat drink ik graag, zegt hij.
hij vraagt wat ik van het leven denk.
ik heb een poëziewedstrijd gewonnen, zeg ik.
dan kan je iets wat ik niet kan, zegt hij,
en ik wil dat nog wegwuiven,
maar de trein is er al, zijn trein.
terwijl ik hem uitzwaai, voel ik me opnieuw verdrietig,
omdat ik hem niet gevraagd heb waarin hij freelancet.
 
ik zie mezelf op het perron zitten, tegen een grijze kast.
ik glimlach, want ik denk dat ik bewust gelukkig ben.
mijn rugzak staat naast me, en daarnaast de mand met biertjes.
het zou mooi zijn als iemand een schilderij van me maakte.
 
de man had ook nog gezegd
dat ik niet meer uit het gebroken glas mocht drinken.
dat was stuk gegaan toen een vrouw haar autodeur tegen de mand open gooide.
daar werd ik ook een beetje verdrietig van,
omdat ik dacht aan hoe waardering soms zo snel kan sneuvelen.
 
op de trein plof ik tegenover een meisje met een blauwe bloes. 
ik wil een gesprek met haar starten, maar ik weet geen onderwerp. 
misschien kan ik iets over haar oorbellen zeggen.
misschien kan ik haar ook een biertje geven.
ze zegt dat ze niet drinkt en het gesprek valt stil.
ik kijk naar buiten, maar ik zie alleen mijn eigen reflectie.
 
in Gent stap ik op de bus. 
de chauffeur is vroeg, dus hij praat nog met de chauffeur
van de bus op het perron ernaast, die geen dienst heeft.
ik vraag me af of alle buschauffeurs elkaar kennen. 
ze zeggen dat ik een mand vol biertjes heb. 
ja, zeg ik, ik wilde net vragen of u er eentje wilt. 
maar de mannen drinken ook niet.
een krullende jongen achter op de bus wel. 
 
het is zes haltes verder dat ik moet afstappen. 
de buschauffeur mompelt iets over het verkeer,
of over het station,
en ik doe alsof ik het verstaan heb. 
kent u alle buschauffeurs? vraag ik. 
 
ik weet het niet, zegt hij.
ik ook niet, denk ik.
maar ooit wil ik het weten. 
 
 
 

 

Vijftien

 
ze deed me denken aan een vriendin die ik ooit had.
ze woonde rond een vijver die in de winter bevroor.
we plukten aardbeien in de zomer, toen die nog rood waren.
ik was de moed verloren, zij haar moeder.
iedere dag na school fietste ik mee om haar thuis af te zetten.
ze had me geleerd hoe ik kaastaart moest maken,
ook al durfde ik er nog niet van te eten.

Sint-Alfons

 
(na zeven en een halve maand in de hulpverlening moet de afdeling sluiten. dit is een afscheidsode.) 
 
 
het eerste bed waarin ik sliep, was zo laag
dat ik mijn hoofd stootte als ik eronder kroop.
ik vond dat niet erg, omdat ik dan dichter bij de grond lag
en het dan leek of ik een boomwortel was.

‘s ochtends klopte iemand op de deur om ons te wekken.
ik probeerde te horen wie het was, maar dat lukte niet altijd,
want sommige verpleegkundigen hadden dezelfde stem.
ik heb nooit gevraagd of ze dat wisten.
ik heb ook nooit gezegd dat ik vaak al wakker was,
omdat ik het zo fijn vond dat iemand goedemorgen tegen me zei.

er zat een ploegje eters aan de ontbijttafel.
sommigen hadden een gekreukte pyjama aan,
of een outfit in modetrend, anderen een masker.
de verpleging droeg altijd een glimlach,
behalve die keer waarop er droevig nieuws was:
toen huilden ze, zoals wij.
de muren van de eetzaal kraakten
van de mensen die ertegen instortten.

ik weet niet hoeveel patiënten er waren, dat verschilde.
ik weet wel dat de kar van de medicatie zoveel verdiepingen had
dat ze tot aan mijn borstbeen kwam.
er waren propere en vuile glazen,
en handen die bibberden toen ze uitgestoken werden.
oude handen, jonge handen, handen met kraters erin.

niet iedereen was goed in ochtenden,
maar zij die het waren, straalden weergaloos.
de geur van verse koffie doordrong onze hersenen.
de boterhammen bleven ongesmeerd op tafel liggen.
als de dramatherapeut haar ogen sloot,
gingen haar schouders ook naar beneden.
 
ik dacht in de stilte aan de kleine dingen.
 
1. het rennen als er om hulp gepiept werd.
2. het geluid van lichamen in zitzakken.
3. de knuffel voor het slapengaan (zij grootmoeder, ik kleinkind).
4. haar horen zoemen terwijl ze sliep.
5. het koffertje van de dokter, hoe hij dat neerzette terwijl hij mijn naam juist uitsprak.
6. de verwarming onder de vensterbanken, waar je op kon zitten als je op soep wachtte.
7. de grootste mokken om thee in te zetten.
8. het uitbeelden, toen we speelden dat we suikerklontjes waren.
9. het fruit dat er niet was, en dan weer wel. de bananen die het eerst gekozen werden.
10. warme chocolademelk. 

het werd herfst.
dat besefte ik toen ik in een café latte bestelde in plaats van fruitsap.
ik wilde weten hoe het was om de kastanjes uit de bomen te kijken.

later werd het koud.
de eerste keer dat het sneeuwde, was in november.
alles werd wit, zelfs de nabije toekomst.
iemand bouwde een iglo die drie dagen bleef staan.
de laatste keer dat het sneeuwde, was in maart.
 
iedere maandag begon de week opnieuw.
iedere dinsdag bewogen we in de danszaal.
die had een spiegel, iemand vroeg me ooit
waarom ik bang was van mezelf.
we zaten er op rode ballen die glunderden op de grond.
 
het meest hield ik van de warmte.
op een dag wilde ik definiëren wat dat betekende.
 
1. een zacht aaien over de kruin van je hoofd, wanneer mensen lieve dingen tegen je zeggen.
2. een pasgeboren hoop, onschuldig, teder.
3. een gevoel dat je hart je longen knuffelt, zodat je beter in je buik kan ademen.
 
we gingen naar een bos om onze angst eruit te roepen.
er kleefden dauwdruppels aan de grassprieten.
een bende koeien joeg ons een ander veld in.
we schreeuwden tot we samen met onze stemmen braken.
die dag leerde ik hoe pijn eruit zag.

we zijn meermaals in stukken gevallen.
de zon viel zoals ons naar beneden,
tot ze bijna verongelukte aan de breuklijn
en we niet meer wisten hoe we konden stralen.
er waren dan mensen die luisterden,
omdat ze geleerd hadden hoe ze dat moesten doen.
 
ik stond vanmorgen op om kwart na vijf.
niemand had me wakker gemaakt.
ik zei goedemorgen tegen mezelf
en at limoenmelisseyoghurt.
ik dronk chai latte uit een theepot met een panda erop.
ik legde mijn handen rond mijn navel,
keek naar buiten,
deed een boom na die daar stond,
riep de koolmezenfamilie.
 
dan wandelde ik de deur uit, de dag in.
dat had ik altijd al willen doen.
onderweg, langs het water, deed ik een dansje
en de wolken schaterlachten.
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top