Sint-Alfons

 
(na zeven en een halve maand in de hulpverlening moet de afdeling sluiten. dit is een afscheidsode.) 
 
 
het eerste bed waarin ik sliep, was zo laag
dat ik mijn hoofd stootte als ik eronder kroop.
ik vond dat niet erg, omdat ik dan dichter bij de grond lag
en het dan leek of ik een boomwortel was.

‘s ochtends klopte iemand op de deur om ons te wekken.
ik probeerde te horen wie het was, maar dat lukte niet altijd,
want sommige verpleegkundigen hadden dezelfde stem.
ik heb nooit gevraagd of ze dat wisten.
ik heb ook nooit gezegd dat ik vaak al wakker was,
omdat ik het zo fijn vond dat iemand goedemorgen tegen me zei.

er zat een ploegje eters aan de ontbijttafel.
sommigen hadden een gekreukte pyjama aan,
of een outfit in modetrend, anderen een masker.
de verpleging droeg altijd een glimlach,
behalve die keer waarop er droevig nieuws was:
toen huilden ze, zoals wij.
de muren van de eetzaal kraakten
van de mensen die ertegen instortten.

ik weet niet hoeveel patiënten er waren, dat verschilde.
ik weet wel dat de kar van de medicatie zoveel verdiepingen had
dat ze tot aan mijn borstbeen kwam.
er waren propere en vuile glazen,
en handen die bibberden toen ze uitgestoken werden.
oude handen, jonge handen, handen met kraters erin.

niet iedereen was goed in ochtenden,
maar zij die het waren, straalden weergaloos.
de geur van verse koffie doordrong onze hersenen.
de boterhammen bleven ongesmeerd op tafel liggen.
als de dramatherapeut haar ogen sloot,
gingen haar schouders ook naar beneden.
 
ik dacht in de stilte aan de kleine dingen.
 
1. het rennen als er om hulp gepiept werd.
2. het geluid van lichamen in zitzakken.
3. de knuffel voor het slapengaan (zij grootmoeder, ik kleinkind).
4. haar horen zoemen terwijl ze sliep.
5. het koffertje van de dokter, hoe hij dat neerzette terwijl hij mijn naam juist uitsprak.
6. de verwarming onder de vensterbanken, waar je op kon zitten als je op soep wachtte.
7. de grootste mokken om thee in te zetten.
8. het uitbeelden, toen we speelden dat we suikerklontjes waren.
9. het fruit dat er niet was, en dan weer wel. de bananen die het eerst gekozen werden.
10. warme chocolademelk. 

het werd herfst.
dat besefte ik toen ik in een café latte bestelde in plaats van fruitsap.
ik wilde weten hoe het was om de kastanjes uit de bomen te kijken.

later werd het koud.
de eerste keer dat het sneeuwde, was in november.
alles werd wit, zelfs de nabije toekomst.
iemand bouwde een iglo die drie dagen bleef staan.
de laatste keer dat het sneeuwde, was in maart.
 
iedere maandag begon de week opnieuw.
iedere dinsdag bewogen we in de danszaal.
die had een spiegel, iemand vroeg me ooit
waarom ik bang was van mezelf.
we zaten er op rode ballen die glunderden op de grond.
 
het meest hield ik van de warmte.
op een dag wilde ik definiëren wat dat betekende.
 
1. een zacht aaien over de kruin van je hoofd, wanneer mensen lieve dingen tegen je zeggen.
2. een pasgeboren hoop, onschuldig, teder.
3. een gevoel dat je hart je longen knuffelt, zodat je beter in je buik kan ademen.
 
we gingen naar een bos om onze angst eruit te roepen.
er kleefden dauwdruppels aan de grassprieten.
een bende koeien joeg ons een ander veld in.
we schreeuwden tot we samen met onze stemmen braken.
die dag leerde ik hoe pijn eruit zag.

we zijn meermaals in stukken gevallen.
de zon viel zoals ons naar beneden,
tot ze bijna verongelukte aan de breuklijn
en we niet meer wisten hoe we konden stralen.
er waren dan mensen die luisterden,
omdat ze geleerd hadden hoe ze dat moesten doen.
 
ik stond vanmorgen op om kwart na vijf.
niemand had me wakker gemaakt.
ik zei goedemorgen tegen mezelf
en at limoenmelisseyoghurt.
ik dronk chai latte uit een theepot met een panda erop.
ik legde mijn handen rond mijn navel,
keek naar buiten,
deed een boom na die daar stond,
riep de koolmezenfamilie.
 
dan wandelde ik de deur uit, de dag in.
dat had ik altijd al willen doen.
onderweg, langs het water, deed ik een dansje
en de wolken schaterlachten.
 
 
 
 
 
 
 

Ik wil nog altijd het meisje zoeken

 
ik wil nog altijd het meisje zoeken
met wie ik ooit op de bovenste verdieping van een draaimolen zat.
hij was hoog, ik moest drie trappen op.
zij zat er al - ik was jaloers omdat ze hem eerder had ontdekt.
ze had vurige haren en wangen vol sproeten.
de drie ritten die we samen draaiden,
zij in een boot en ik in een vliegtuig,
terwijl onze ouders vergeefs naar ons op zoek waren,
die waren magisch.
 
soms zag ik haar terug.
in een park.
aan een kassa.
ze herkende me niet meer.

Een drukke trein

 
de trein naar Antwerpen is in verwachting.
een meisje met een knotje glimlacht.
ik vraag me af of ik er ook zo spontaan uit zie.
als ze naar buiten kijkt, naar de voorbijglijdende huizen,
bewegen haar ogen heen en weer.
het is fascinerend hoe snel ze verspringen.
ik weet niet of mijn ogen dat ook doen.
ik wil het haar vragen, maar ik durf niet. /

een krant ligt achteloos op de bagageruimte boven een zetel.
ik kan de hoofdpunten niet lezen.
de passagier naast me verfrommelt het papier
rond haar broodje van de Panos, hesp met groenten.
uit haar handtas ploft ze een flesje bruiswater open.
haar nagels zijn gelakt in zalmroze. /
 
de haakjes om je jas aan op te hangen
verdelen zich willekeurig boven de ruiten.
ik wil al mijn kleren over de wereld hangen,
me naakt verstoppen in gordijnen.

Vanochtend

 
wakker geworden opgestaan de afspeellijst draait nog rondgekeken ik hoor ave maria de werkmannen laten iets zwaars vallen geschrokken stemmen op de trap gehoord ik wou dat pianotoetsen luider klonken thee gezet koffie gedronken gedoucht mijn benen gescrubd maar ze voelen even zwaar alsof ik in een modderbad viel denk ik nee ik vind geen goede vergelijking
 
een kaars gebrand patchouli denk ik dat zorgt voor erotiek maar het was bloemengeur een doos geopend dingen teruggevonden een slijper een gom allemaal dingen om iets weg te doen denk ik mijn beer is flauwgevallen op de kapstokken die de werkmannen van het haakje hadden gehaald me ook zo gevoeld gewild dat mijn badjas zachter was een kussen zien liggen dat maakte ze zelf er staat een huis op ik ben vergeten vragen hoe je dat doet, een huis maken
 
een trui aangetrokken eerst een jasje dat mag niet zegt ze de trui is van haar die wil ik houden ik weet niet of ze er nog in past vroeger niet nu wel want haar lichaam is ook weggekwijnd er was een tijd dat ik niet wist wat wegkwijnen was het deed me denken aan begijnen misschien omdat dat rijmt ik weet het niet
 
een boek willen lezen in de plaats een lijst gemaakt van boeken die ik wil lezen melk en honing wit agaat van marlene van niekerk die schreef iets over kuikenlijfjes de muziek is bombastischer luider alsof ik aan de volumeknop heb gedraaid maar ik heb alleen geluisterd  op bed gaan liggen met schoenen aan veiligheidsschoenen waarom vroeg ze omdat ik dan tegen bomen kan trappen een deken genomen heel warm had hij gezegd
 
gisteren het verhaal van de straat verteld ze hebben de olifant opgegeten en in de worsten gedraaid haar skelet ligt in de kelders van de universiteit naast moby had ze gezegd wie is dat vroeg ik een vis die alleen maar groeit als hij ruimte krijgt en werkten mensen ook maar zo
 
ook een film gekeken om drie uur de zon was er nog met twee in bed wanneer zijn we gestopt met denken dat dat ook overdag kan vroeg ze
 
in mijn ogen gewreven aan mijn nek gevoeld dat doe ik altijd als ik gespannen ben ik weet niet waarom misschien om mijn hartslag te voelen de huisarts zei jouw bloed is goed alleen je witte bloedcellen te laag dat zien we vaak bij ondervoeding
 
het ruist achter de piano misschien omdat het volume zo luid staat ruisen dingen alleen als je ze kan horen geademd dat deed ik al heel de tijd geen zorgen getwijfeld of ik mijn haren in een staart zou doen of niet het is koud maar ik vind het zo leuk om de slierten links en rechts achter mijn oren te aaien mijn bed ligt goed opnieuw geslapen vertrokken gestapt langs het water de meerkoeten gezien de grassprieten de resten van de winter de takken een verdord stuk eenzaamheid.


 
 
 

Isabelle Caro (1982-2010)

 
(ik moest vandaag een gedicht bij een foto schrijven en eerst wilde ik niet iets dat zo dicht lag, maar dan net daarom wel. want met auteurswoorden: anorexia is een dooddoener.)
 
 
mijn borsten zijn dood.
 
ze hangen naar beneden als lekgeprikte ballonnen,
de tepels klein en in een knoopje.
op mijn sleutelbeenderen kan je koorddansen.
 
vanop een poster kijk ik tweedimensionaal
naar wie voorbij komt; ze sluiten hun ogen.
die van mij zijn wijd open gesperd, of zo lijkt het,
omdat een mensenschedel bovenaan breder is.
 
ik vind het moeilijk om te verdwijnen.
soms denk ik dat ik zo onzichtbaar ben
dat ik iedereen wegduw.
 
zie mij staan.
zie mij liggen.
zie mij aan uw muren plakken om te blijven leven.
als ik sterf, lees dan het koffiedik.
 
 
 
 
 
 

Ochtendwandeling, Stropkaai

 
ik knijp mijn ogen toe om de afstand tussen de zon en de huizen te meten.
ze is geel en warm, een duimbreed boven de schoorstenen. 
aan mijn linkerkant komt een meerkoet kijken. 
 
ik wist niet dat meerkoets zulke grote poten hadden,
met drie lobben, zoals dikke, grijze herfstbladeren.
hij is zwart. ze zeggen dat donkere dingen niet kunnen zien
en het lijkt inderdaad of hij geen ogen heeft.
de stand van zijn kop veronderstelt dat hij naar de zon kijkt, zoals ik,
of naar de rivier eronder, waar een andere meerkoet met de borst vooruit
een niet standvastig patroon in het water zwemt.
 
ik zit op een houten figuur waar een balk op rust. 
op het voetpad laat een grijze vrouw haar bruine hond uit.
de meerkoet verstopt zich op de oever, achter een grasspriet.
de vrouw praat tegen haar hond; de hond luistert niet.
er ligt geen schilderij in het water, hond.
waarom zegt u dat? vraag ik.
ik ben een vrouw die ziet wat er niet is, zegt ze.
 
in het water zwemt een vrouwtjeseend in sneltempo een mannetje achterna.
later lees ik op wikipedia dat meerkoetvrouwtjes en meerkoetmannetjes er hetzelfde uitzien.
hoe hoger de zon klimt, hoe kleiner haar weerkaatsing is.
misschien is het zo dat ik bang ben om te groeien.
we willen toch allemaal gespiegeld worden.
 
(uit: soms denk je dat mensen blinde vlekken zijn)
 
 
 
 
 
 
 

Uit: een brief

 
in de badkuip herinnerde ik me hoe warme baden vroeger waren.
hoe ik op mijn buik ging liggen en dacht dat ik een nijlpaard was,
en dat als ik mijn lichaam helemaal onder water bracht, 
ik alleen nog maar uit ogen en een voorhoofd bestond.
als niemand je ziet, besta je dan nog?
hoe magisch een lege zeepfles op de bodem kon bubbelen.
hoe oude huidschilfers op het water bleven drijven
alsof je een nieuwe start mocht maken.
 
(uit: een brief, februari 2018)

Dingen die ik meemaakte

 
ik heb een rups gered.
ik heb ‘m van de straat geplukt
en in mijn handpalm gelegd, tussen de nerven.
zijn lijfje kronkelde zoals hoe ik vannacht in bed lag.
misschien was het stuiptrekken.
hoe moet je pijn hebben als je niet kan schreeuwen?
 
er was iets aan het kloppen in het dikste deel van zijn lichaam.
een hartslag, denk ik, te klein om met mensenhanden te masseren.
aan zijn kopje hing een klodder aarde, precies vooraan,
waardoor het leek alsof hij een heel groot oog had.
ik dacht aan een cycloop.
 
ik dacht ook dat hij aan het sterven was.
 
toen ik klein was, verzorgde ik een rups in de vissenkom van mijn oma.
op een ochtend was de bak leeg en ze heeft nooit gezegd
of hij in een vlinder veranderde of doodging.
 
ik ben wel vaker dingen verloren.
gisteren was ik mijn moeder kwijt.
ze raakte zoek in de Ikea op weg naar de kleerkasten.
ik ging naar de infobalie en de man vroeg hoe oud ik was,
en hoe ze eruit zag.
tien minuten geleden was ze een beetje groter dan ik.
ze droeg een zwarte jas, heeft kort, donkerbruin haar
en gestreepte zorgen op haar voorhoofd.
 
op wikipedia lees ik dat rupsen
de snelst groeiende organismen uit het dierenrijk zijn.
is veranderen voor hen dan zo gemakkelijk 
of sta ik er te veel bij stil? 
 
 
 
 

Een huis met veren

 
ik zit in de wachtkamer van de hulpverlener.
de zetel is zacht, van stof, gebroken wit.
ik schud mijn rugzak uit om een verloren bankkaart te vinden,
maar het enige wat valt zijn kruimels.
ze blijven liggen, ze kleven verscheurd op de grond.
ik denk aan de kruimels van de verhalen die ik straks zal brengen,
hoe versnipperd ik me soms voel.
aan een tafel staan witte stoelen, witter dan de zetel.
op de plaats waar vroeger een tweede zetel stond,
blaast nu een grijs verwarmingstoestel.
 
het is winter.
 
buiten vroor mijn huid kapot.
 
in de hoek van de gebroken zetel ligt een kussen met een vogel erop.
een roodborstje, denk ik, maar nu ik beter kijk heeft hij alleen een rode buik.
en ik twijfel, zoals ik zo vaak twijfel voordat ik iets zeker weet.
“per via aerea” staat onderaan, alsof het een Latijnse naam is.
ik schrijf op dat ik wil vragen of het een betekenis heeft,
een vogelsoort in de wachtkamer.
 
hoe gaat het met je, vraagt zij.
 
en ik weet niet wat ik moet zeggen.
 
kan je aan vogels zoals aan mensen zien waar de borst eindigt en de buik begint?
 
mijn buik begint tussen mijn ribben.
als ik zenuwachtig ben, kruis ik mijn armen om mijn middel
om er zeker van te zijn dat ik besta.
ik druk in mijn huid en wou dat mijn lichaam van plasticine was,
en dat als ik maar hard genoeg zou kneden, ik het kon vormen zoals ik dat wilde.
 
het gaat goed, denk ik. ik weet het niet.
 
als mensen vragen hoe het met me gaat, krijg ik daar altijd zoveel stress van.
dan heb ik het gevoel dat ik een samenvatting moet geven en weet ik niet of ik moet beginnen
met wat wel gaat of wat niet of wat een beetje en dus maar alles door elkaar vertel
en de persoon die gevraagd had hoe het ging niet weet of hij of zij nu moet besluiten
of het dan wel of niet goed met me gaat
en als ik dan uiteindelijk zeg dat het zo of zo gaat
vergeet ik soms iets of voel ik een seconde later al iets anders
en heb ik spijt dat ik niet verteld heb dat het toch ook zo gaat
en wil ik dat ik de vraag opnieuw mag beantwoorden
omdat ik me niet onbegrepen wil voelen
door de persoon die gevraagd had hoe met me ging.
 
gelukkig is zij daar beter in.
 
je hoeft nog niet te vliegen, zegt ze.
we fladderen en springen van hak naar tak om in beweging te blijven.
misschien is het wel zo, dat vogelvlucht maar saai
en kronkelen een rijkere manier van leven is.
ze neemt een blad, slaat het om, noteert de datum van vandaag in de linkerbovenhoek
(dat denk ik, maar ik ben er niet zeker van, want ze kruist haar benen
en schrijft op haar bovenste knie, een beetje schuin,
waardoor ik niet kan zien wat ze precies aan het schrijven is.
maar dat vind ik niet erg, want ik vertrouw haar en ik voel me veilig.)
 
ik herinner me dat ik verhuisd ben, hoe ik dat kon vergeten.
ik zeg het en ik denk dat mijn ogen stralen, ik voel het.
we spreken af dat ik er een nest van maak,
en dat ik een mooie eettafel zoek om stappen op te zetten,
dan lijkt het een beetje op dansen.
 
op de terugweg begin ik vanzelf te fluiten.
 
 
 
 
 

Eetstoornis

Ik wil mijn huis niet besmeuren met de kruimels van een eetstoornis.
Ik wil mijn dromen niet meer invriezen,
geen muren bouwen in de woonkamer,
de geur van honger niet meer ruiken.
 
Ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
Ik wil de dampkap horen sissen.
Ik wil broden bakken die je in hompen breekt
en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
Ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.
 
iI wil mijn handen gebruiken om mijn lichaam te omarmen,
en mijn voeten om stappen te zetten.
Ik wil leren dansen op grijze sokken
zodat de moed me niet in de schoenen zinkt.
 
Ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.
 
Dit is mijn lichaam.
Dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
Als je lang genoeg wacht, zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
Dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
Dit zijn de toppen van mijn tenen.
Ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.
 
Dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.
 
Dit is mijn lijf dat nog weet hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
Ik wil mijn lichaam dichtritsen zodat niemand er nog aan kan.
 
Dit is mijn pijn. blijf eraf.
 
Ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.
 
Ik wil een bed dat zo hoog is dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
Ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
 Dit zijn mijn vrienden.
 
Ik wil een nest gemaakt van warme woorden, van kastanjebladeren, van wintereiken.
Ik wil een huis om te beloven:
ik zal altijd pompoensoep voor je maken.



 
 
Back to Top