Wat is je lievelingsgeluid

 
wat is je lievelingsgeluid? vroeg ze.
hij dacht even na.
 
een lucifer die aangestoken wordt.
een kloppend hart in een stethoscoop.
hoe dromende honden ademen.
het toeklikken van haarspeldjes.
als je je ogen sluit en de trein hoort aankomen.
een schaar in dik papier.
een rollercoaster zonder mensen erin.
en hoe je kreunt als je je ‘s morgens uitrekt.

 

Dingen die ik leuk vind aan mijn huis

 
dingen die ik leuk vind aan mijn huis:
 
1. de opstapjes, en dat mijn bed op het hoogste niveau staat.
2. dat de warmtepomp ver genoeg van de tafel hangt om de kaarsen niet uit te blazen, maar dicht genoeg bij de tafel hangt om hun vlammen te laten dansen.
3. het geluid dat de kaarsen maken als ze met een lucifer aangestoken worden.
4. dat ik er geen weegschaal heb.
5. dat mijn bed gemaakt is van bananenplanten, en dat er iemand is die zegt dat ik dan in een banaan slaap.
6. dat de vloer plekjes heeft met interessante vormen.
7. dat ik gedichten op de muur verzamel.
8. dat de boeken in mijn boekenkast geen logische volgorde hebben, en dat ik dan nooit weet welke boeken ik eigenlijk heb en altijd verrast word.
9. dat ik niet alleen ben als ik de radio aan zet.
10. dat ik ook niet alleen ben als ik mijn teddybeer knuffel.
11. dat de vloer gezellig scheef ligt. 
12. dat ik op mijn tippen moet staan om in de badkamer door het raam naar buiten te kijken.
13. dat mijn douche zo klein is dat ik er perfect onder pas, en mensen die groter zijn niet.
14. dat de werkmannen de muur niet herschilderen toen ze de kachels verwijderden. er zijn drie lagen levens te zien om over na te denken.
 
dingen die ik niet leuk vind aan mijn huis:
 
1. dat mijn gordijn opplooit als ik ze open doe, omdat er een schommelstoel tegen staat.
2. dat de planten doodgaan.
3. dat ik nog geen bordenwisser heb gevonden voor het krijtbord.
4. dat ik altijd bang ben dat ik waterkringen op de tafel ga maken, maar dat ik het ook jammer vind om een tafelkleed te leggen, omdat het zo’n mooie tafel is.
5. dat de waterketel stottert als hij te vol is.
6. dat ik niet graag theezakjes open maak, maar wel graag thee drink. dat ik daarom soms koffie drink als ik eigenlijk thee wil.
7. dat mijn staanlamp aan de andere kant van het bed staat, en dat ik die toch niet wil verhuizen en ook niet aan de andere kant van het bed wil gaan liggen.
8. dat ik de regen niet kan voelen.

 

Na de voorronde van Naft voor Woord

 
de trein heeft 55 minuten vertraging
omdat er een persoon moest opgeruimd worden.
op het perron pruts ik aan de chocolade van een Snickers.
ik heb bier gewonnen, maar dat drink ik niet.
ik wil het wel ruiken,
dus ik probeer het kroonkurkje met mijn sleutel los te wrikken.
dat lukt niet, en ik voel me plots verdrietig
omdat ik niet weet hoe ik een bierflesje moet openmaken.
 
het is de sleutel van mijn brievenbus.
die is zwart, de bovenste van vier.
het voetpad loopt een beetje af,
ik moet op mijn tippen staan om de post te halen.
ik durf de onderbuur niet te vragen
of ik van brievenbus mag wisselen.
 
op de roltrap verschijnt het hoofd van een man,
en dan zijn lichaam.
hij geeft me zijn visitekaartje (Leo, freelancer)
en zegt dat hij oud is, maar wel Facebook heeft.
u bent helemaal niet oud, wil ik zeggen,
maar ik lach alleen maar,
en ik zeg dat ik ook een visitekaartje heb.
 
ik geef hem een biertje.
Maneblusser, dat drink ik graag, zegt hij.
hij vraagt wat ik van het leven denk.
ik heb een poëziewedstrijd gewonnen, zeg ik.
dan kan je iets wat ik niet kan, zegt hij,
en ik wil dat nog wegwuiven,
maar de trein is er al, zijn trein.
terwijl ik hem uitzwaai, voel ik me opnieuw verdrietig,
omdat ik hem niet gevraagd heb waarin hij freelancet.
 
ik zie mezelf op het perron zitten, tegen een grijze kast.
ik glimlach, want ik denk dat ik bewust gelukkig ben.
mijn rugzak staat naast me, en daarnaast de mand met biertjes.
het zou mooi zijn als iemand een schilderij van me maakte.
 
de man had ook nog gezegd
dat ik niet meer uit het gebroken glas mocht drinken.
dat was stuk gegaan toen een vrouw haar autodeur tegen de mand open gooide.
daar werd ik ook een beetje verdrietig van,
omdat ik dacht aan hoe waardering soms zo snel kan sneuvelen.
 
op de trein plof ik tegenover een meisje met een blauwe bloes. 
ik wil een gesprek met haar starten, maar ik weet geen onderwerp. 
misschien kan ik iets over haar oorbellen zeggen.
misschien kan ik haar ook een biertje geven.
ze zegt dat ze niet drinkt en het gesprek valt stil.
ik kijk naar buiten, maar ik zie alleen mijn eigen reflectie.
 
in Gent stap ik op de bus. 
de chauffeur is vroeg, dus hij praat nog met de chauffeur
van de bus op het perron ernaast, die geen dienst heeft.
ik vraag me af of alle buschauffeurs elkaar kennen. 
ze zeggen dat ik een mand vol biertjes heb. 
ja, zeg ik, ik wilde net vragen of u er eentje wilt. 
maar de mannen drinken ook niet.
een krullende jongen achter op de bus wel. 
 
het is zes haltes verder dat ik moet afstappen. 
de buschauffeur mompelt iets over het verkeer,
of over het station,
en ik doe alsof ik het verstaan heb. 
kent u alle buschauffeurs? vraag ik. 
 
ik weet het niet, zegt hij.
ik ook niet, denk ik.
maar ooit wil ik het weten. 
 
 
 

 

Vijftien

 
ze deed me denken aan een vriendin die ik ooit had.
ze woonde rond een vijver die in de winter bevroor.
we plukten aardbeien in de zomer, toen die nog rood waren.
ik was de moed verloren, zij haar moeder.
iedere dag na school fietste ik mee om haar thuis af te zetten.
ze had me geleerd hoe ik kaastaart moest maken,
ook al durfde ik er nog niet van te eten.

Sint-Alfons

 
(na zeven en een halve maand in de hulpverlening moet de afdeling sluiten. dit is een afscheidsode.) 
 
 
het eerste bed waarin ik sliep, was zo laag
dat ik mijn hoofd stootte als ik eronder kroop.
ik vond dat niet erg, omdat ik dan dichter bij de grond lag
en het dan leek of ik een boomwortel was.

‘s ochtends klopte iemand op de deur om ons te wekken.
ik probeerde te horen wie het was, maar dat lukte niet altijd,
want sommige verpleegkundigen hadden dezelfde stem.
ik heb nooit gevraagd of ze dat wisten.
ik heb ook nooit gezegd dat ik vaak al wakker was,
omdat ik het zo fijn vond dat iemand goedemorgen tegen me zei.

er zat een ploegje eters aan de ontbijttafel.
sommigen hadden een gekreukte pyjama aan,
of een outfit in modetrend, anderen een masker.
de verpleging droeg altijd een glimlach,
behalve die keer waarop er droevig nieuws was:
toen huilden ze, zoals wij.
de muren van de eetzaal kraakten
van de mensen die ertegen instortten.

ik weet niet hoeveel patiënten er waren, dat verschilde.
ik weet wel dat de kar van de medicatie zoveel verdiepingen had
dat ze tot aan mijn borstbeen kwam.
er waren propere en vuile glazen,
en handen die bibberden toen ze uitgestoken werden.
oude handen, jonge handen, handen met kraters erin.

niet iedereen was goed in ochtenden,
maar zij die het waren, straalden weergaloos.
de geur van verse koffie doordrong onze hersenen.
de boterhammen bleven ongesmeerd op tafel liggen.
als de dramatherapeut haar ogen sloot,
gingen haar schouders ook naar beneden.
 
ik dacht in de stilte aan de kleine dingen.
 
1. het rennen als er om hulp gepiept werd.
2. het geluid van lichamen in zitzakken.
3. de knuffel voor het slapengaan (zij grootmoeder, ik kleinkind).
4. haar horen zoemen terwijl ze sliep.
5. het koffertje van de dokter, hoe hij dat neerzette terwijl hij mijn naam juist uitsprak.
6. de verwarming onder de vensterbanken, waar je op kon zitten als je op soep wachtte.
7. de grootste mokken om thee in te zetten.
8. het uitbeelden, toen we speelden dat we suikerklontjes waren.
9. het fruit dat er niet was, en dan weer wel. de bananen die het eerst gekozen werden.
10. warme chocolademelk. 

het werd herfst.
dat besefte ik toen ik in een café latte bestelde in plaats van fruitsap.
ik wilde weten hoe het was om de kastanjes uit de bomen te kijken.

later werd het koud.
de eerste keer dat het sneeuwde, was in november.
alles werd wit, zelfs de nabije toekomst.
iemand bouwde een iglo die drie dagen bleef staan.
de laatste keer dat het sneeuwde, was in maart.
 
iedere maandag begon de week opnieuw.
iedere dinsdag bewogen we in de danszaal.
die had een spiegel, iemand vroeg me ooit
waarom ik bang was van mezelf.
we zaten er op rode ballen die glunderden op de grond.
 
het meest hield ik van de warmte.
op een dag wilde ik definiëren wat dat betekende.
 
1. een zacht aaien over de kruin van je hoofd, wanneer mensen lieve dingen tegen je zeggen.
2. een pasgeboren hoop, onschuldig, teder.
3. een gevoel dat je hart je longen knuffelt, zodat je beter in je buik kan ademen.
 
we gingen naar een bos om onze angst eruit te roepen.
er kleefden dauwdruppels aan de grassprieten.
een bende koeien joeg ons een ander veld in.
we schreeuwden tot we samen met onze stemmen braken.
die dag leerde ik hoe pijn eruit zag.

we zijn meermaals in stukken gevallen.
de zon viel zoals ons naar beneden,
tot ze bijna verongelukte aan de breuklijn
en we niet meer wisten hoe we konden stralen.
er waren dan mensen die luisterden,
omdat ze geleerd hadden hoe ze dat moesten doen.
 
ik stond vanmorgen op om kwart na vijf.
niemand had me wakker gemaakt.
ik zei goedemorgen tegen mezelf
en at limoenmelisseyoghurt.
ik dronk chai latte uit een theepot met een panda erop.
ik legde mijn handen rond mijn navel,
keek naar buiten,
deed een boom na die daar stond,
riep de koolmezenfamilie.
 
dan wandelde ik de deur uit, de dag in.
dat had ik altijd al willen doen.
onderweg, langs het water, deed ik een dansje
en de wolken schaterlachten.
 
 
 
 
 
 
 

Ik wil nog altijd het meisje zoeken

 
ik wil nog altijd het meisje zoeken
met wie ik ooit op de bovenste verdieping van een draaimolen zat.
hij was hoog, ik moest drie trappen op.
zij zat er al - ik was jaloers omdat ze hem eerder had ontdekt.
ze had vurige haren en wangen vol sproeten.
de drie ritten die we samen draaiden,
zij in een boot en ik in een vliegtuig,
terwijl onze ouders vergeefs naar ons op zoek waren,
die waren magisch.
 
soms zag ik haar terug.
in een park.
aan een kassa.
ze herkende me niet meer.

Een drukke trein

 
de trein naar Antwerpen is in verwachting.
een meisje met een knotje glimlacht.
ik vraag me af of ik er ook zo spontaan uit zie.
als ze naar buiten kijkt, naar de voorbijglijdende huizen,
bewegen haar ogen heen en weer.
het is fascinerend hoe snel ze verspringen.
ik weet niet of mijn ogen dat ook doen.
ik wil het haar vragen, maar ik durf niet. /

een krant ligt achteloos op de bagageruimte boven een zetel.
ik kan de hoofdpunten niet lezen.
de passagier naast me verfrommelt het papier
rond haar broodje van de Panos, hesp met groenten.
uit haar handtas ploft ze een flesje bruiswater open.
haar nagels zijn gelakt in zalmroze. /
 
de haakjes om je jas aan op te hangen
verdelen zich willekeurig boven de ruiten.
ik wil al mijn kleren over de wereld hangen,
me naakt verstoppen in gordijnen.

Vanochtend

 
wakker geworden opgestaan de afspeellijst draait nog rondgekeken ik hoor ave maria de werkmannen laten iets zwaars vallen geschrokken stemmen op de trap gehoord ik wou dat pianotoetsen luider klonken thee gezet koffie gedronken gedoucht mijn benen gescrubd maar ze voelen even zwaar alsof ik in een modderbad viel denk ik nee ik vind geen goede vergelijking
 
een kaars gebrand patchouli denk ik dat zorgt voor erotiek maar het was bloemengeur een doos geopend dingen teruggevonden een slijper een gom allemaal dingen om iets weg te doen denk ik mijn beer is flauwgevallen op de kapstokken die de werkmannen van het haakje hadden gehaald me ook zo gevoeld gewild dat mijn badjas zachter was een kussen zien liggen dat maakte ze zelf er staat een huis op ik ben vergeten vragen hoe je dat doet, een huis maken
 
een trui aangetrokken eerst een jasje dat mag niet zegt ze de trui is van haar die wil ik houden ik weet niet of ze er nog in past vroeger niet nu wel want haar lichaam is ook weggekwijnd er was een tijd dat ik niet wist wat wegkwijnen was het deed me denken aan begijnen misschien omdat dat rijmt ik weet het niet
 
een boek willen lezen in de plaats een lijst gemaakt van boeken die ik wil lezen melk en honing wit agaat van marlene van niekerk die schreef iets over kuikenlijfjes de muziek is bombastischer luider alsof ik aan de volumeknop heb gedraaid maar ik heb alleen geluisterd  op bed gaan liggen met schoenen aan veiligheidsschoenen waarom vroeg ze omdat ik dan tegen bomen kan trappen een deken genomen heel warm had hij gezegd
 
gisteren het verhaal van de straat verteld ze hebben de olifant opgegeten en in de worsten gedraaid haar skelet ligt in de kelders van de universiteit naast moby had ze gezegd wie is dat vroeg ik een vis die alleen maar groeit als hij ruimte krijgt en werkten mensen ook maar zo
 
ook een film gekeken om drie uur de zon was er nog met twee in bed wanneer zijn we gestopt met denken dat dat ook overdag kan vroeg ze
 
in mijn ogen gewreven aan mijn nek gevoeld dat doe ik altijd als ik gespannen ben ik weet niet waarom misschien om mijn hartslag te voelen de huisarts zei jouw bloed is goed alleen je witte bloedcellen te laag dat zien we vaak bij ondervoeding
 
het ruist achter de piano misschien omdat het volume zo luid staat ruisen dingen alleen als je ze kan horen geademd dat deed ik al heel de tijd geen zorgen getwijfeld of ik mijn haren in een staart zou doen of niet het is koud maar ik vind het zo leuk om de slierten links en rechts achter mijn oren te aaien mijn bed ligt goed opnieuw geslapen vertrokken gestapt langs het water de meerkoeten gezien de grassprieten de resten van de winter de takken een verdord stuk eenzaamheid.


 
 
 

Isabelle Caro (1982-2010)

 
(ik moest vandaag een gedicht bij een foto schrijven en eerst wilde ik niet iets dat zo dicht lag, maar dan net daarom wel. want met auteurswoorden: anorexia is een dooddoener.)
 
 
mijn borsten zijn dood.
 
ze hangen naar beneden als lekgeprikte ballonnen,
de tepels klein en in een knoopje.
op mijn sleutelbeenderen kan je koorddansen.
 
vanop een poster kijk ik tweedimensionaal
naar wie voorbij komt; ze sluiten hun ogen.
die van mij zijn wijd open gesperd, of zo lijkt het,
omdat een mensenschedel bovenaan breder is.
 
ik vind het moeilijk om te verdwijnen.
soms denk ik dat ik zo onzichtbaar ben
dat ik iedereen wegduw.
 
zie mij staan.
zie mij liggen.
zie mij aan uw muren plakken om te blijven leven.
als ik sterf, lees dan het koffiedik.
 
 
 
 
 
 

Ochtendwandeling, Stropkaai

 
ik knijp mijn ogen toe om de afstand tussen de zon en de huizen te meten.
ze is geel en warm, een duimbreed boven de schoorstenen. 
aan mijn linkerkant komt een meerkoet kijken. 
 
ik wist niet dat meerkoets zulke grote poten hadden,
met drie lobben, zoals dikke, grijze herfstbladeren.
hij is zwart. ze zeggen dat donkere dingen niet kunnen zien
en het lijkt inderdaad of hij geen ogen heeft.
de stand van zijn kop veronderstelt dat hij naar de zon kijkt, zoals ik,
of naar de rivier eronder, waar een andere meerkoet met de borst vooruit
een niet standvastig patroon in het water zwemt.
 
ik zit op een houten figuur waar een balk op rust. 
op het voetpad laat een grijze vrouw haar bruine hond uit.
de meerkoet verstopt zich op de oever, achter een grasspriet.
de vrouw praat tegen haar hond; de hond luistert niet.
er ligt geen schilderij in het water, hond.
waarom zegt u dat? vraag ik.
ik ben een vrouw die ziet wat er niet is, zegt ze.
 
in het water zwemt een vrouwtjeseend in sneltempo een mannetje achterna.
later lees ik op wikipedia dat meerkoetvrouwtjes en meerkoetmannetjes er hetzelfde uitzien.
hoe hoger de zon klimt, hoe kleiner haar weerkaatsing is.
misschien is het zo dat ik bang ben om te groeien.
we willen toch allemaal gespiegeld worden.
 
(uit: soms denk je dat mensen blinde vlekken zijn)
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top