Paddenstoelen

 
een kudde paddenstoelen zoekt bescherming bij elkaar. 
het mos eronder wordt afwisselend
ineen gedrukt door mierenpoten.
de kastanjes liggen tragisch op de grond.
morgen plant ik een bos van gevallen bladeren.
wat verder ligt een verworpen eikel.
ik ben vergeten of eikels eetbaar zijn.
in mijn broekzak lopen de woorden uit
die ik nog niet heb durven zeggen.
het is lang geleden dat ik iemand
een ramptoerist heb genoemd.

Krimpfolie

 
ergens in onze achterhoofden
was er dat jaar dat ik op krimpfolie leek.
van tijd tot tijd zweefde het voor onze ogen.
iemand zei dat het was alsof mijn mond
te groot voor mijn gezicht geworden was
en mijn tanden verder lachten dan mijn wangen.
er hing iets weerloos aan de bomen.
in de herfst draaiden we de tijd drie seizoenen terug.

Lente

 
het is lente en ze vraagt of ik al in bloei sta.
er klimmen blauweregens op de muur.
straks zal het zomer worden.
we zullen overal zakdoeken leggen
en de twistappels uit de bomen kijken.
we zaaien spruiten op het moederland.

Associaties

 
hij droeg een roodgeblokte hemdsbloes
alsof hij een houthakker was.
er werd die dag een vijgenboom geveld.
ik durfde sindsdien geen vruchten meer eten.
op de bladeren van vijgenbomen sterven
vrouwelijke galwespen om zich voort te planten.
tegenwoordig is hij zwaarder dan toen.
ik word nog elke keer gestoken.
 

Maneschijn

 
als ze lacht, 
moet ik denken aan de maan
en hoe die ook maar hangt te schijnen
en hoe mooi ik dat vind. 
ik zou haar willen zeggen 
dat ik altijd zo droevig word van maansverduisteringen, 
en dat ik de aarde dan het liefst uit de weg wil rollen.
in een stofwolk op het oppervlak werd ooit water ontdekt.
ook jij mag huilen, zeg ik zacht. 

Helfrich

 
er zijn teveel mensen die bij zonsopgang verdwijnen
omdat het daglicht pijn doet aan hun ogen.
's nachts huilden ze naar de maan
die te ver in de kosmos hing om nieuwe energie te brengen.
er is een planeet die 27 manen heeft, zei ik hem.
hij zweeg in alle talen die hij sprak
tot zijn stem moe was van het rusten 
en zijn stilte schreeuwde aan de ontbijttafel. 

Dingen waaraan ik denk in bad

 
1.
ik lig in bed.
ik lig met mijn benen tegen de muur omdat ik dat leuk vind. 
ik nam vanavond een bad met zout uit de Himalaya,
want dat schijnt goed te zijn voor stijve spieren.
als je jezelf helemaal onder water dompelt, tot je oren toe,
hoor je het tikken van je huid tegen de badkuip.
 
2.
ik zag wolken met een slagroomrandje,
en een zwaan die in het midden van de rivier zwom.
het water erachter rimpelde symmetrisch. 
 
3.
ik pelde met een vriendin kastanjes onder een bolsterboom. 
terwijl we praatten, bekogelde de wind onze hoofden.
er kroop een worm uit de vrucht, ik zei dat ik soms ook kronkelde.
 
4.
toen ik een benefietwandeling maakte, had de zon had zich van seizoen vergist.
we stapten door purperen velden en zagen ochtenddauw op paardebloemen. 
we plasten achter bomen tussen dennenappels.
onze voeten slenterden versleten achter ons aan. 
een spinnenweb met druppels leek op een dromenvanger.
 
5. 
ik was het soort moe dat je goed doet slapen.
vorige week scheurde ik tot ik bijna een ravijn werd.
zoals de Grand Canyon, zei een vriend.
die ontstond toen de zeebodem omhoog rees en het water van de Colorado het land erodeerde.  
misschien werkt huilen ook wel zo, doen tranen slijten wat op rotsen lijkt. 
 
6.
ik las mijn Poeh-boekje uit en ik werd daar Heel Gelukkig van.
het ruikt nog naar de vorige eeuw, een beetje zoals donkerrode dekens in tractorschuren.
 
7.
het is lang geleden dat ik soep gegeten heb.
de laatste keer aten we kervelsoep.
een vriendin zei dat zij ook kervelsoep at. 
ik vind haar soep nog steeds de lekkerste.
ooit maakte ze er met wortel en pastinaak,
en ze dacht dat er teveel peper in zat, maar ik vond ze perfect.
ik hoop dat ze altijd soep blijft maken.
ik denk het wel.
 
8.
ik ken een vrouw wiens gezicht op een volle maan lijkt.
de tijd heeft kraters in haar voorhoofd getekend. 
haar sproeten zijn vlekken in een bleek gelaat.
ik vraag me af of ik, als ik haar nog eens zie, 
opnieuw aan de maan zal denken.
en of ik, als ik de maan zie, 
aan haar zal denken.
 
9.
de appels in de tuin zijn de eerste symptomen van de herfst.
er zijn mensen die overal zakdoeken leggen. 
morgen plant ik een bos van gevallen bladeren. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Brieven

 
ik schrijf brieven met een nieuwe vulpen.
ik word daar heel gelukkig van, want
de punt heeft precies de juiste dikte.
ik schrijf aan een vensterbank
die breder is dan een A4-blad.
ik denk daardoor dat hij eigenlijk
niet bedoeld is als vensterbank.
er vliegt een blad voor het raam. 
het waggelt, maar niet naar beneden. 
het danst horizontaal in beeld.
 
 
 
 
 
 

Er ligt verdriet op onze schouders

  
er ligt verdriet op onze schouders.
ik weet nog niet hoe zwaar het is
en in hoeveel stukken tranen kunnen breken
om zich te verdelen over drie tafels mensen.
misschien is het wel waar wat ze zeggen,
dat gedeeld verdriet daardoor minder weegt.
misschien is het tegelijk niet waar,
want last spreekt altijd een andere taal.
 
het gewicht van de regen is ook onmeetbaar.
het is herfst en de wind waait zalvend over onze wangen.
buiten dansen de takken op het ritme van de ochtend.
iemand zegt dat de appels te ver van de boom vielen.
 
er zijn stoelen die tevergeefs vier poten hebben.
ze wankelen omdat de grond onder onze voeten trilt
en hier en daar moerassig wordt.
de mensen wankelen ook; ze doen het onhoorbaar.
hun armen haperen in de lucht zodat het lijkt alsof ze vliegen.
wanneer ze vallen, breken ze door de wolken.
 
we gebruiken onze tranen als brandstof om stil te staan.
 
ze zeggen dat zij al aan het gemis
konden wennen toen het er nog niet was.
ik denk dat dat voelt zoals wat moeder zei,
dat je op voorhand moet eten voor de honger die komt
alsof we daarmee het knagen kunnen misleiden.
verdriet vreet hoe dan ook onvoorbereid.
 
we wiegen de verleden tijd van vandaag
en luisteren bedachtzaam naar de witregels.
er is iets rustgevends aan de dingen voelen. 

 
 

Bolsters

 
we zijn nog niet zo lang geleden geboren,
dacht ze toen we naar de avond keken.
het gras acupunctuurde in onze ruggen. 
ze zei dat ze bang was dat er een bolster op haar hoofd viel.
ik zei dat ik dat begreep.
 
ik zei dat ik niet wist dat het bolsters waren
en dat ik dat eigenlijk veel leuker vond. 
ze hingen mysterieus aan een boom, groene knobbels 
die we met half dichtgeknepen ogen konden wegblazen.
ik zei dat bang zijn misschien ook zo werkt. 
 
soms weet ik niet eens wat voelen is.
ze zeggen dat het op regenen lijkt
en dat stormen de dingen zuiveren 
en ik vraag me af wat er dan eerst was.
 
soms wil ik de aarde in mijn huid laten branden. 
 
ik was naar buiten gelopen en ik had haar niet gezien
omdat ze zoals het leven achter een muur was gaan staan.
mijn hart sprong zo hoog dat de oudste stenen scheurden. 
we aten maïswafels in stukken om over fragmenten te praten.
er was geen tijd geweest tussen reizen en werken. 
 
ik had die dag drie stenen gekocht. 
we luisterden naar wat de stilte te vertellen had
en speelden dat we in de knoop lagen.
er klonk het geluid van gelukkig zijn. 
onze armen grepen elkaar als strohalmen.
ik was de eerste die ontknoopt werd
toen ik nog verward wilde zijn.
 
we herschreven de regels van badminton
zodat we allemaal raketten werden. 
we sloegen onze verhalen over het net
tot ze gewichtloos in pluimen veranderden. 
er gleed een vliegtuig door de regen. 
 
later rolden we over het grasveld.
onze hoofden wankelden en ze fluisterde waarom ik gevallen was.
ik verpakte mijn antwoorden in de wolken om ze zachter te maken. 
we keken naar de lucht en hoe die tussen ons en de kosmos hing.
haar handen tekenden druppels van een onweer in de bergen;
ik had inderdaad nog nooit zoiets moois gehoord. 
 
ik denk dat ik weet hoe liefde voelt.  
het werd voorzichtig schemeravond;
de zon schilderde haar eigen ondergang. 
misschien zijn we allemaal wel groene knobbels 
en worden we alleen maar bolsters als we vruchten dragen.
ik wilde voor altijd blijven liggen. 
 
 
 
 
 
 
Back to Top