Herinrichting

 
1.
ik heb mijn bureau voor het raam gezet. 
ik kan nu nog beter naar buiten staren en nietsdoen.
het zesde verdiep kijkt uit over de parking van de Aldi. 
als mensen inkopen doen, maken de karretjes lawaai. 
het zorgt voor een vreemdsoortige rustgevendheid. 
 
2.
ik heb een zetel gevonden in de weggeefhoek. 
hij kon alleen in de lift als ik erop ging zitten. 
in het midden zakt hij in; je moet er een beetje over wrijven. 
ik heb nog nooit een zetel ontmoet die zo goed bij me past.
 
3.
er ligt een grote zachte bruine beer op het bed.
die kreeg ik toen ik voor het eerst ging babysitten.
ik was veertien en het gezin ruimde de zolder op.
nu droom ik van grizzly's als ik verdrietig ben.
 
4.
het is eindeloos intrigerend om naar regendruppels te kijken
wanneer ze nog niet op de grond zijn gevallen. 
dat is het voordeel van een kamer op het zesde verdiep.
toen de weerman mist voorspelde na een winterstorm,
leek het alsof ik in de wolken woonde. 
 
 

Het zou een boek kunnen worden

 
en zo ging ik dan kapot, zei je.
 
de lavendelstruik achter ons ritselde.
ik moest denken aan hoe de wind ooit stormde
en jij met je jas open gilde dat je een zeearend was.
geen gewone, had je geroepen, de grootste van Europa.
je nam mijn hand en we dansten door het onweer
alsof dat was wat we deden. 
 
kapot. 
 
je keek me aan met het soort bruine ogen
die verwachtten dat ik een antwoord had.
ik wilde je alleen maar opvouwen
en als een pakketje in mijn armen nemen.
 
de enige waarheid is
dat ik nog nooit iemand gekend heb
die op zo'n mooie manier kapot is gegaan.
oh aapje, het was bijna iets om jaloers op te worden.
de zon straalde voorzichtig door jouw barsten. 
je verbleekte, jij en alle stukken waaruit je bestond.
je was beschaamd en ik hield nog meer van je.
 
ik zag de kreuken in je voorhoofd
en vroeg me af hoe lang je al bezorgd was.
fronsen ontstaan niet van de ene op de andere dag.
had ik de plooien glad kunnen strijken 
voor ze zich eeuwig in je huid tekenden?
 
en toch stond broosheid jou wonderschoon.
  
weet je nog hoe we 's nachts
rillend een rivier in sprongen? 
ik voelde er eigenlijk niet veel voor, 
maar jij was zo aandoenlijk onbezonnen
dat ik niet anders kon dan je achterna rennen, bloot,
mijn badpak achterlatend als een vergeten accessoire. 
onze lichamen braken het maanlicht dat op het water
een heldere streep achterliet.
 
wist je dat ze daar in het Zweeds een woord voor hebben? mångata.
ik kwam het tegen toen ik op pinterest inspiratie zocht om gedichten te schrijven.
ik wou dat ik het zelf had uitgevonden, zoals "ijsbergsla" of "ochtendnevel".
 
je huilde 
 
omdat de schoonheid van dat woord niet genoeg was.
de zenuwen brulden door je lijf en je beet op je nagels.
aapje, er was niemand die beter op haar nagels kon bijten dan jij. 
je deed het zorgvuldig, met kleine hapjes en in een boogje,
zodat de mensen dachten dat je een schaartje had gebruikt. 
hoeveel keer wilde je eigenlijk die witte randen verscheuren?
 
je hebt me nooit in vertrouwen genomen
wanneer de dijken achter jouw ogen braken
en je zei dat het een kattenallergie was.
 
de dag dat we elkaar leerden kennen
droeg je regenlaarzen, een jeans van je broer,
donkergroene oorwarmers en een baksteenrode trui.
ik wist niet eens dat dat een kleur was, baksteenrood,
tot jij besloot dat we er zeker van moesten zijn
en we het verhaal van een schilder vonden
die alle bestaande kleuren op een doek
naast elkaar had gestreept. 
 
je rilde.
 
ik vouwde mijn lichaam als een bolster rond het jouwe.
voorlopig was dat het enige wat ik kon bedenken.
je sliep en ik wou dat ik wist hoe het voelde
om bang te zijn van de wereld 
terwijl je er radslagen op turnde. 
 
 
 
 

Op bestelling

 
wat voorafging:
we hebben met ons collectief een poëziefestival georganiseerd
en we hadden een tent waar mensen zoals fastfood
gedichten op bestelling konden plaatsen en ik deed de avondshift
en toen kwam Maud Vanhauwaert omdat zij daar ook was
en ze vroeg iets over cheddar, wind en rabarber
en ik probeerde heel casual te doen
alsof ik wist wat dat was
en ik kroop in de grond
en begon daar dan maar te schrijven
en ik doorstreepte en ik liep er een rondje
en toen penden de anderen iets neer
omdat de tent al daverde van mijn trillingen
en ik liep nog een rondje
en ik ging omgekeerd op een stoel zitten
en schreef verder en dan was mijn gedicht klaar
en plaste ik ongeveer in mijn broek
en durfde ik het daarom eigenlijk niet afgeven
maar toen moest ik wel omdat niemand anders het deed
en dus kon ik bijna mijn mond niet opentrekken
en zei of fluisterde ik alleen maar ja
toen ze vroeg of ik dan Kristien Spooren was
(mijn naam stond eronder dus er is geen andere reden).
 
 
het gedicht in kwestie:
er zijn mensen die gesmolten kaas
het mooiste symbool voor tijdelijkheid vinden.
een kind naast een boodschappenkar
trapt tegen een blokje cheddar
alsof het een kiezelsteentje is.
een vrouw drie meter verder wandelt het kapot
tot twee oranje vlekken die zoals oude liefdes
aan de zolen van haar schoenen blijven kleven.
dat het leven verder gaat, zei iemand
toen ze de tijd naar buiten wilde jagen.
op de kassaband rollen de producten even automatisch verder.
200 gram rabarbermoes schuift van een wankele stapel avocado's
en valt tegen het beurtbalkje van de man voor haar.
het spijt me, zegt ze want de ruimte van haar sociale angst
duwt minstens even hard tegen het latje.
er is te weinig lucht om van te ademen.
buiten op de parking vergeet ook de zomer dat er wind moet zijn.
de vrouw slentert in stukken naar haar plooifiets.
de kaas onder haar schoen heeft niets meer te zeggen.
 
 
 
 

Vijf zintuigen

 
1. 
een potje kinderkwark is zo klein
dat een soeplepel aan een grote schep voldoende heeft.
net daarom hield ik er vroeger zo van, denk ik.
omdat ik wist dat ik koffielepels en minihapjes nodig had
en volwassen zijn nog onnoemelijk ver weg leek.
 
2. 
het fijne aan regenbuien is het plenzen van de druppels,
en vooral het terugspringen wanneer ze de grond raken
en bijna besluiten weer omhoog te vallen.
ik wou dat mensen ook zo vielen.
misschien doen ze dat wel.
 
3. 
een man botst tegen een lantaarnpaal
om te leren hoe mensen elkaar toevallig tegen het lijf lopen.
zijn sleutelbeen wordt blauw en hij denkt dat dat zo hoort.
op de grond groeit mos tussen de stenen.
een vrouw zegt dat liefde niet zonder verkleuren kan.
 
4.
het ruikt naar bosbessen uit de tuin
en frisse plekken gecomposteerde aarde.
je vraagt of het begin van de wereld ook die geur had
en ik denk het wel, maar ik zeg het niet. 
 
5. 
in mijn hoofd klinkt het geluid van gemiste kansen.
ze verscheuren mijn zenuwcellen
en laten een oorverdovende leegte achter
waar herinneringen als vossenjongen
opgerold in slaap vallen.
 
 
 

Ik wil een huis

 
ik wil een huis in een bos met een boomhut en een loopbrug daarnaartoe
en een schoorsteen en bakstenen waar je briefjes tussen kan steken
en versgebakken brood en een slaapplaats met een cirkelvormig raam
om naar de maan te kijken (die vind ik mooier dan de sterren omdat ze vlekken heeft)
en een bedsprei en een oude waterpomp en blauwe bloemen op de vensterbank
en een buitentoilet waar de wind tussen je billen waait
en hoge grassen en een schilderschuur en gekreukte takken
en een meer om ‘s avonds in te zwemmen
en dat we dan handdoeken zijn vergeten
en drogen in de zon en jij mijn schouders masseert
en zegt dat er groentensoep op het vuur staat. 

Praten

 
praten over pijn is zoveel makkelijker
wanneer de ander aan de dag legt 
wat jij niet richting lippen kreeg, 
onverlicht de uitweg zoekend,
toen je op je woorden kauwde
en delen inslikte van een 
wansmakelijk verhaal.

Wolkenkrabber 3 (Dialooggedicht met John Brains)

 
we hebben geen woorden voor wat wolken doen.
ze hangen, zeggen we, alsof we wachten
tot iemand de draden doormidden knipt
en ze naar beneden vallen
als ongeschoren schapen,
 
verwond door megalomaan krabbende gebouwen
die ook de kleine mensen overschaduwen.
 
dus staan we als buienradars met onze armen open
om ze voorzichtig op te vangen,
omdat we bang zijn dat ze breken 
in kleine stukken waterdamp
en zullen huilen zoals wij dat doen. 
 

Telefoongesprek

 
een bijna onthoofde mot is nu helemaal dood.
hoe heb je het gedaan? vraag ik.
we waren sinds de dag ervoor in dubio
omdat het beestje het al te lang volhield.
ze had, in een onbaatzuchtige poging 
het insect naar buiten te brengen, 
een blikje op zijn nek gezet.
het borststuk zoemde als ze het potje optilde.
de volgende ochtend leefde het nog,
grillend in de voormiddagzon.
ik heb er een beetje op geduwd, zegt ze.
 
vlinders sterven altijd in stukjes
(en soms leven ze ook zo).
 
ik zie mezelf weerspiegeld in het raam
omdat het nacht is en mijn lamp brandt.
ik lijk in de verte op een toneelstuk,
hoe dat ook mag aanvoelen.
ik zou willen dat ik mijn eigen rol speelde,
maar ik ken de tekst niet meer.
 
de fruitvliegen hebben ook niets te zeggen.
ik vries bananen in om er ijs van te maken.
mijn handen plakken; ze proeven naar kalium. 
de vloer ligt bezaaid met brokstukken van
kapot geblokte samenvattingen.
er is nog zo veel op te ruimen.
ik ben met honderd dingen tegelijk bezig 
en ik weet niet waarom. 
 
op de grond ligt een leeg rucolazakje. 
mijn ventilator blaast het tegen de stoel
en het maakt het geluid van wapperende vleugels.
ik schrik; de stoelpoot deinst ook achteruit.
we moeten echt gaan slapen.
 
mijn telefoon voelt warm aan mijn oor.
we zijn al anderhalf uur aan het bellen.
ze zegt dat ze in bed ligt
en dat haar raam op kiep staat.
het is lang geleden dat ik iemand 
het woord kiep heb horen gebruiken.
ik weet zelfs niet of het standaardtaal is. 
het klinkt zo mooi dat ik ga vragen
of ze het morgen nog eens wilt zeggen.
 
ik vind het leuk om aan morgen te denken.
dat lijkt een beetje op dromen
omdat je nog niet weet wat er komt
en alles altijd mogelijk is.
ik doe mijn licht uit.
welterusten.
 
 
 
 

Gurfa 4 (dialooggedicht met Tom Driesen)

 
ze zeggen dat je vanaf je vijfendertigste
elke dag een stukje kleiner wordt.
gelukkig gaat dat traag en krimpen de andere mensen mee.
het is een vreemde gedachte dat alle volwassenen
voortdurend aan het verzakken zijn.
ik vroeg me wel eens af
waar al die stukjes mens naartoe gingen. 
 
bij haar ging het sneller.
als je lang genoeg keek, kon je haar rimpels zien groeien.
de tijd tekende zich gekreukt in haar huid
en sprong herhaaldelijk op haar schouders.
ze droeg sindsdien nog enkel pantoffels,
naar eigen zeggen om beter te kunnen schuifelen. 
 
het deed haar niet zo veel,
tot ze op een dag in de spiegel keek
en haar navel niet meer kon zien.
ze was diep bedroefd,
want ze vond navels de mooiste lichaamsdelen
omdat die, hoe verlaten ook, het middelpunt waren.
ze had haar moederkoek al lang begraven. 
 
onderweg naar de wastafel dacht ze na over het leven.
ze hield zich vast aan de badkuip
en wilde zo graag een wijsheid bedenken
dat ze naar het afvoerputje keek.
hoe het daar lag, zich verontschuldigend,
voor die keren dat zomerliefdes
niet ingemasseerd konden worden
en ze zelf ook door haar vingers glipte. 
haar handen wrongen de druppels uit.
het water in het bad liep weg
- het kon zich niet binden.
 
het duurde acht minuten 
om op de trapleuning naar beneden te glijden.
de ballustrade was een symmetrieas 
tussen de helften van haar lichaam,
een vrouw gespiegeld op zichzelf,
evenwijdig aan de binnenmuur.
 
ze was altijd twee
gesprekspartners geweest.
 
de aders op haar ledematen
vormden bergketens tussen de groeven.
ze had geen hoogtestormen nodig
om te kunnen regenen.
 
 
 
 

Kapper

 
1. (kapper)
het is de allerlaatste dag dat ik eruit zie zoals ik dat doe.
de gedachte houdt me een hele nacht bezig.
alsof ik straks foto’s zal tegenkomen
en niet zal zeggen: hier, dit ben ik
(omdat ik mezelf niet herken). 
alles went, zeggen ze.
misschien vergeet ik later wie ik nu was.
er kruipt een hommel over mijn fruitmand.
dat ik dat toch wil onthouden.
 
2. (nacht I)
ik ben blij dat ik de lucht zie ontwaken.
de maan lijkt te hard ingekleurd;
ze is een dunne sikkel in het pastellandschap.
een vogel maakt rechtsomkeert terwijl hij vliegt.
ik schaam me omdat ik getuige ben van zijn gedachtekronkels.
ik overweeg in ruil ook iets te vertellen.
 
3. (nacht II)
gisteren wist ik niet welke yoghurt ik het lekkerst vond.
ik probeerde me de concurrerende smaken (limoen en granaatappel)
in te beelden en er was zo veel voor beide te zeggen
dat ik uiteindelijk de natuurvariant kocht.
ik denk dat ik daar spijt van heb.
 
4. (nacht III)
ik wil op zoek naar een boom om in te kruipen,
een oude dikke met takken en bejaarde knoesten,
en wortels waar ik die zelf nog niet heb.
ik heb de illusie dat dat inspirerend is
en dat ik dan wondere ideeën krijg.
het zou wel eens kunnen,
want ik hou heel erg van bomen.
de lucht is zo blauw dat ik er moe van word.
 
 
 
Back to Top