Gurfa 4 (dialooggedicht met Tom Driesen)

 
ze zeggen dat je vanaf je vijfendertigste
elke dag een stukje kleiner wordt.
gelukkig gaat dat traag en krimpen de andere mensen mee.
het is een vreemde gedachte dat alle volwassenen
voortdurend aan het verzakken zijn.
ik vroeg me wel eens af
waar al die stukjes mens naartoe gingen. 
 
bij haar ging het sneller.
als je lang genoeg keek, kon je haar rimpels zien groeien.
de tijd tekende zich gekreukt in haar huid
en sprong herhaaldelijk op haar schouders.
ze droeg sindsdien nog enkel pantoffels,
naar eigen zeggen om beter te kunnen schuifelen. 
 
het deed haar niet zo veel,
tot ze op een dag in de spiegel keek
en haar navel niet meer kon zien.
ze was diep bedroefd,
want ze vond navels de mooiste lichaamsdelen
omdat die, hoe verlaten ook, het middelpunt waren.
ze had haar moederkoek al lang begraven. 
 
onderweg naar de wastafel dacht ze na over het leven.
ze hield zich vast aan de badkuip
en wilde zo graag een wijsheid bedenken
dat ze naar het afvoerputje keek.
hoe het daar lag, zich verontschuldigend,
voor die keren dat zomerliefdes
niet ingemasseerd konden worden
en ze zelf ook door haar vingers glipte. 
haar handen wrongen de druppels uit.
het water in het bad liep weg
- het kon zich niet binden.
 
het duurde acht minuten 
om op de trapleuning naar beneden te glijden.
de ballustrade was een symmetrieas 
tussen de helften van haar lichaam,
een vrouw gespiegeld op zichzelf,
evenwijdig aan de binnenmuur.
 
ze was altijd twee
gesprekspartners geweest.
 
de aders op haar ledematen
vormden bergketens tussen de groeven.
ze had geen hoogtestormen nodig
om te kunnen regenen.
 
 
 
 

Kapper

 
1. (kapper)
het is de allerlaatste dag dat ik eruit zie zoals ik dat doe.
de gedachte houdt me een hele nacht bezig.
alsof ik straks foto’s zal tegenkomen
en niet zal zeggen: hier, dit ben ik
(omdat ik mezelf niet herken). 
alles went, zeggen ze.
misschien vergeet ik later wie ik nu was.
er kruipt een hommel over mijn fruitmand.
dat ik dat toch wil onthouden.
 
2. (nacht I)
ik ben blij dat ik de lucht zie ontwaken.
de maan lijkt te hard ingekleurd;
ze is een dunne sikkel in het pastellandschap.
een vogel maakt rechtsomkeert terwijl hij vliegt.
ik schaam me omdat ik getuige ben van zijn gedachtekronkels.
ik overweeg in ruil ook iets te vertellen.
 
3. (nacht II)
gisteren wist ik niet welke yoghurt ik het lekkerst vond.
ik probeerde me de concurrerende smaken (limoen en granaatappel)
in te beelden en er was zo veel voor beide te zeggen
dat ik uiteindelijk de natuurvariant kocht.
ik denk dat ik daar spijt van heb.
 
4. (nacht III)
ik wil op zoek naar een boom om in te kruipen,
een oude dikke met takken en bejaarde knoesten,
en wortels waar ik die zelf nog niet heb.
ik heb de illusie dat dat inspirerend is
en dat ik dan wondere ideeën krijg.
het zou wel eens kunnen,
want ik hou heel erg van bomen.
de lucht is zo blauw dat ik er moe van word.
 
 
 

Allemaal op zondag

 
1.
ik zit in het station van Malderen.
er komen treinen langs en er bloeit een klaproos op het spoor.
ik vind dat zo mooi dat ik begin te huilen. 
het voelt alsof ik uit rivieren besta.
ik ben alleen op het perron en ik besluit
dat tranen de mooiste vorm van regenen zijn.
ik wou dat ik helemaal nat werd. 
het is vreselijk warm in de stad.
 
2.
we wandelen zoekend door het bos.
de kruinen van de bomen breken de zonnestralen.
op de grond worden silhouetten getekend.
we kijken naar de schaduwplekken en springen erover 
alsof we daarmee het donker kunnen misleiden.  
ze zegt dat ik vanavond thee moet drinken.
 
3.
er zijn luchtballonnen en er is een fontein. 
ik voel een drang om in het water te springen 
en als een legovrouwtje naar de mand te zwaaien. 
ik vraag me af hoe ik eruitzie in miniatuurversie.
ik wou dat we ons dat samen konden afvragen.
 
4.
halverwege de nacht leg ik me dan maar op de grond.
het is verschrikkelijk vermoeiend als je niet kan slapen.
naast de schommelstoel wankelt een hoop gedachten 
die ik nochtans zorgvuldig op elkaar heb gestapeld.
de koelkast klopt niet;
ze maakt het geluid van een koffieapparaat.
ik voel me veilig op de harde vloer.
het is vandaag alweer niet gelukt
om mijn lichaam uit te trekken. 
 
 
 
 

Hiraeth

 
ze heeft ongeveer niets tegen me gezegd.
alsof zwijgen zoveel beter is
om het barsten van een hart te overstemmen.
boven op mijn kamer denk ik de rest van het huis weg.
ze klopt niet op de deur en bericht dat de producten in de douche
van haar zijn en ik die vooral niet mag gebruiken.
terwijl ik zo instemmend mogelijk haar herhalingen turf,
stapt zij even voorspelbaar weer in haar zeepbel.
ik kijk nog even en werk verder. 
mijn cactus prikt begrijpend.
 

Gurfa 2 (dialooggedicht met Tom Driesen)

 
sommige dingen zijn zo mooi
dat ze altijd door je vingers glippen.
we stonden op blote voeten aan de beek
en schepten water met onze handen
om te voelen dat we leefden.
 
hoe als we blaasden het zachtjes kabbelde,
een klein meer in de vorm van een handpalm,
en we dan dachten dat we de wereld vasthielden.
 
je zei dat ik bijzonder was.
dat je mijn ogen in het water kon zien
omdat de zon ze reflecteerde.
ik lachte rimpels in het oppervlak.
 
later bleken zomers toch vergankelijk,
toen we wilden dat we de centiliters
zoals momenten neer konden leggen. 
hoe ze dan zonder contouren zouden bestaan 
op een vensterbank naast rododendrons,
twee afgietsels regen om samen naar te kijken. 
 
alleen in de winter kan je de tijd bevriezen.  
we leerden onze handen om los te laten.
het water viel langs onze vingers op de grond
en tekende kringen in de aarde. 
 
ik was zo bang dat ik je kwijtraakte.
 
 
(gurfa: Ar., "de hoeveelheid water die je in een handpalm kan houden")

Mensen tekenen

 
ze zeggen dat mensen de moeilijkste dingen om te tekenen zijn.
ik denk dat dat komt omdat er een groot verschil is
tussen dingen die altijd hetzelfde blijven en mensen.
het mooie aan stillevens is
dat ze niet moeten rijpen zoals mensen dat doen,
in een periode waarin je iets onhandigs bent
en lichaamsdelen hebt die alle kanten op groeien.
het mooie aan mensen is dat ze veranderen,
en dat potloodlijnen zoals wij oneindig verzinbaar zijn.

Gedachte bij een paniekaanval

 
ik denk dat ik dood ga.
dat de wereld zo bedreigend is
dat mijn hart uit mijn borstkas springt en weg rent
en mensen bij het oversteken omkijken, een oude vrouw met krullen
en een oude man met kale plekken waar de vrouw zich niet aan stoort:
er loopt een hart op straat.
 
ik weet dat het opmerkelijk is.
een hart is een orgaan dat bloed door een lichaam pompt.
als het geen lichaam meer heeft, wordt het een werkloos ding
met linker- en rechterventrikels die niemand kent
en aders die ongecontroleerd in leven blijven.
 
het is te warm om te rennen.
 
er snuffelen katten aan de kleppen.
er zijn mensen die dat bijzonder vinden.
ze wijzen en nemen hun telefoons uit de binnenzakken
van hun jassen om hun statussen op facebook bij te werken.
(voelt zich – opgetogen. zag net een loslopend hart
in de Gentse binnenstad.)
vind-ik-leuks: zestien.
 
een jongen wil een selfie nemen.
een journalist belt zijn redacteur.
van wie ben je, vraagt iemand want dat is nodig
om het verhaal geloofwaardig te maken.  
 
ik ben alleen –
– en ik denk dat ik dood ga.
 
het is moeilijk voor een hart om onopvallend te zijn,
omdat het machinaal pulseert en niet zoals mensen
kan beslissen om stil te staan.
ik ben bang dat ik uit mijn lijf barst.
 
aan de overkant van de straat wuift een appelboom.
de takken lijken op wegwijzers in het nakende warmte-onweer.
ik kruip in de bladeren, mijn ademhaling op acht Beaufort.
het stormt gekreukte gedachten die opgevouwen in de kast “Verwerkt” lagen.
de lucht ligt torenhoog op mijn schouders.
 
in de thoraxholte achter mijn borstbeen
zweeft een lege plek van twee vuisten groot.
ik voel nog steeds de afdrukken van mijn hart op mijn linkerlong.
ik wil alleen maar een knuffel
en jij die zonder ramptoerisme zegt
dat alles goed komt.
 
 

Vlinders

 
een kind zegt dat er vlinders in mijn buik zitten.
hoe weet je dat, vraag ik. ik zie het, zegt de jongen.
ik kijk naar beneden om na te gaan of er een voelspriet
door mijn navel prikt. acht opgevouwen vleugels
slapen als een middenrif tussen mijn borst- en buikholte.
hun achterlijven trillen bij elke uitademing.
 
doet het pijn, vraagt hij. ik denk het niet, zeg ik.
er hebben nog nooit vlinders in mijn buik gewoond.
ik denk dat het kriebelt als ze wakker worden.
we fluisteren. ik vraag me af of ze aan me vast zitten,
en of we dan samen oud zullen worden,
hun latente schubben verfrommeld als rimpels
in een gedateerde huid.
de antennes van insecten dragen gevoelige receptoren
die dienen om een geschikte partner te signaleren.
 
toen ik vannacht in spiegelbeeld naast haar lag,
kropen ze comfortabel tussen ons in.
ik denk aan hoe het was, met z’n vieren,
hoe haar lach, en mijn ogen, hoe haar handen
mijn lichaam stroomlijnden zoals chloorwater
in een zwembad bij vlinderslag, en hoe we dan
in zandlopervorm in slaap vielen, mijn vingers
gekruld in de golven van haar haren.
 
god, ik mis u.
 
ik zei dat ik mijn ribben voelde lachen.
de jongen zegt dat dat niet kan,
en dat sommige vlinders vensters in hun vleugels hebben.
ze lijken dan hun leven lang op fladderende herfstbladeren.
ik hoop dat ze nooit per vergissing in herbaria belanden,
naast vergankelijk gedroogde bloemen, hun pootjes wriemelend
op dubbelzijdige kleefband onder een kader met naam en toenaam.
 
wij houden niet van hokjes, vul ik aan. gewoon van elkaar.
 
het kind vraagt of ik stuifmeel heb.
ik denk het niet, zeg ik.
ik heb vanmorgen wel aardbeien gegeten.
ik heb de pitten uit de frambozen geplukt
en ze naar het licht gehouden.
er straalden roze stukken zon door.
dat vonden we een warme gedachte.
 
 

Er ligt een vrouw op de trein

Er ligt een vrouw op de trein.
Technisch gezien ligt ze niet op de trein, maar erin.
Ze ligt op zetels, een vierzit.
Niet op vier zetels, op twee.
Ze ligt met haar hoofd op de armsteun aan het gangpad
en haar benen opgevouwen tegen het raam.
Ze is groot.
Ik weet niet precies hoe groot. 
Ze ziet er een beetje verfrommeld uit.
Ik zou haar willen zeggen dat ik het andersom zou doen,
want dat een raam toch beter is om tegen te liggen dan een armsteun,
maar ik doe het niet.
 
Tegenover haar zit een man.
Hij zoent haar op de lippen, dus ik neem aan dat het haar vriend is.
Ik hoop het, want technisch gezien zou het niet mogen
dat een man een vrouw zoent zonder dat zij dat ook wil.
Hij draagt een hemd waarvan de bovenste knopen open staan
en de onderste met alle moeite de stof rond zijn buik bij elkaar houden.
Ik ben bang dat hij op de vrouw valt als de trein remt.
Ik zeg het niet.
 
Op de grond kleeft het stickertje van een appel.
Hij komt uit het buitenland, zoals dromen dat ook zo vaak doen.
 
Ik zeg excuseer, een jongen zegt waarom, ik zeg ik weet het niet.
Zijn moeder zit twee banken verder.
 
Die jongen tekent cirkels op gerecycleerd papier.
Ik denk: zou ik mezelf kunnen recycleren?
Uit afval nieuwe producten maken.
Zou er iets aan mij herbruikbaar zijn?
 
De jongen kijkt naar buiten.
Hij ziet dingen die volwassenen verbeelding noemen.
Kijk, mama.
Ge moogt niet wijzen, zegt zijn moeder, en zit stil.
Ik vraag me af waarom.
 
Ik begin met mijn benen te wiebelen.
Ik hoop dat ik zo hard wiebel dat de lucht ervan gaat trillen en de jongen omkijkt.
Ik stel me voor dat iedereen het doet, een hele trein vol wiebelende mensen.
Maar ik zeg het niet.
 
Iemand zei dat de vrouw die de haltes omroept een programma is.
Enkel een stem, niemand weet nog dat ze ooit een lichaam had.
 
Er waait een papieren zak over het pad.
Nu pas merk ik dat het raam open staat.
De conducteur waait ook naar binnen.
Ik ben altijd zo blij als ik mijn ticket kan laten zien,
omdat ik dan bewijs dat ik het goed doe.
 
Er glijden bomen voorbij.
Hazelaars.
Dat zijn bomen waarbij technisch gezien de katjes in de oksels groeien.
Als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
 
De mensen stoppen met wiebelen.
Het is stil in de trein.
Ik ben bang dat het zo stil wordt dat niemand straks nog weet hoe praten moet.
De stem van de vrouw zonder lichaam weerklinkt,
dat er oponthoud is door personen op een overweg.
Ik kijk naar buiten.
Er ligt een man voor de trein.
De mensen denken aan zijn vrouw, ik ook.
Misschien is het de man van de stem van de vrouw zonder lichaam.
Technisch gezien ligt hij niet enkel voor haar trein,
maar ook opzij, ernaast, en eronder,
en zij zegt: deze trein heeft 11 minuten vertraging.
 
 
 
 
 

Macadamiamelk

Het gaat niet goed met het gezin,
zei de krant die ik las voor ik in de douche stapte.
 
Ik draai aan de knoppen van warm en koud water.
Het is heel moeilijk om de juiste temperatuur te vinden.
De stralen stromen genadeloos over mijn lichaam
en spoelen de goedbedoelde raad van vroeger weg.
 
Van mijn zus kreeg ik witte macadamiamelk.
Ik duw de laatste rest uit de fles en kijk hoe de zeep in mijn handen glijdt.
Er vallen tranen uit mijn ogen omdat ik me de geur van familie herinner.
 
De zeep schuimt als schapenvellen.
Ooit hield ik een dood lam in mijn armen, verstoten door zijn moeder.
Vlak voor hij stierf, rilde hij nog.
Alsof hij in morsecode wilde zeggen dat sommige dingen gewoon niet goed gaan,
en dat je er niets uit kan leren.
 
Ik heb wel geleerd hoe je een handdoek gebruikt.
Hoe je die om je lichaam moet slaan en het douchen van je af moet wrijven.
Ik denk dan altijd dat ik een slang ben die vervelt.
Soms ben ik jaloers op slangen, omdat ze zo vaak kunnen vernieuwen.
 
Mijn moeder hield niet van vernieuwing.
Ze was mede mogelijk gemaakt door peperkoek.
Ze wilde altijd sneetjes zonder parelsuiker, die ik eraf mocht plukken.
Ik zette altijd Lipton thee voor haar,
met een zoetje van het huismerk en twee afgestreken lepeltjes citroen.
 
Als het lente werd, werkten we in de tuin.
Ieder jaar, in de lente, vroeg ik haar iets over floxen
zodat ze kon zeggen dat dat oma's liefste bloemen waren.
We wiedden ook onkruid, alsof het vaders waren.
We keken of ik al in bloei stond, maar later groeide ik alleen nog in de diepte.
 
Met de handdoek wrijf ik mijn huid droog en de tranen weg.
Ik heb geen kleren aan.
Als je dan op de grond gaat zitten, je knieën optrekt, 
je armen om je benen slaat en heel diep inademt, 
lijkt het of je wordt geknuffeld.
 
Ik denk: ik ben niet goed in breken.
 
 
 
 
Back to Top