Allemaal op zondag

 
1.
ik zit in het station van Malderen.
er komen treinen langs en er bloeit een klaproos op het spoor.
ik vind dat zo mooi dat ik begin te huilen. 
het voelt alsof ik uit rivieren besta.
ik ben alleen op het perron en ik besluit
dat tranen de mooiste vorm van regenen zijn.
ik wou dat ik helemaal nat werd. 
het is vreselijk warm in de stad.
 
2.
we wandelen zoekend door het bos.
de kruinen van de bomen breken de zonnestralen.
op de grond worden silhouetten getekend.
we kijken naar de schaduwplekken en springen erover 
alsof we daarmee het donker kunnen misleiden.  
ze zegt dat ik vanavond thee moet drinken.
 
3.
er zijn luchtballonnen en er is een fontein. 
ik voel een drang om in het water te springen 
en als een legovrouwtje naar de mand te zwaaien. 
ik vraag me af hoe ik eruitzie in miniatuurversie.
ik wou dat we ons dat samen konden afvragen.
 
4.
halverwege de nacht leg ik me dan maar op de grond.
het is verschrikkelijk vermoeiend als je niet kan slapen.
naast de schommelstoel wankelt een hoop gedachten 
die ik nochtans zorgvuldig op elkaar heb gestapeld.
de koelkast klopt niet;
ze maakt het geluid van een koffieapparaat.
ik voel me veilig op de harde vloer.
het is vandaag alweer niet gelukt
om mijn lichaam uit te trekken. 
 
 
 
 

Hiraeth

 
ze heeft ongeveer niets tegen me gezegd.
alsof zwijgen zoveel beter is
om het barsten van een hart te overstemmen.
boven op mijn kamer denk ik de rest van het huis weg.
ze klopt niet op de deur en bericht dat de producten in de douche
van haar zijn en ik die vooral niet mag gebruiken.
terwijl ik zo instemmend mogelijk haar herhalingen turf,
stapt zij even voorspelbaar weer in haar zeepbel.
ik kijk nog even en werk verder. 
mijn cactus prikt begrijpend.
 

Gurfa 2 (dialooggedicht met Tom Driesen)

 
sommige dingen zijn zo mooi
dat ze altijd door je vingers glippen.
we stonden op blote voeten aan de beek
en schepten water met onze handen
om te voelen dat we leefden.
 
hoe als we blaasden het zachtjes kabbelde,
een klein meer in de vorm van een handpalm,
en we dan dachten dat we de wereld vasthielden.
 
je zei dat ik bijzonder was.
dat je mijn ogen in het water kon zien
omdat de zon ze reflecteerde.
ik lachte rimpels in het oppervlak.
 
later bleken zomers toch vergankelijk,
toen we wilden dat we de centiliters
zoals momenten neer konden leggen. 
hoe ze dan zonder contouren zouden bestaan 
op een vensterbank naast rododendrons,
twee afgietsels regen om samen naar te kijken. 
 
alleen in de winter kan je de tijd bevriezen.  
we leerden onze handen om los te laten.
het water viel langs onze vingers op de grond
en tekende kringen in de aarde. 
 
ik was zo bang dat ik je kwijtraakte.
 
 
(gurfa: Ar., "de hoeveelheid water die je in een handpalm kan houden")

Mensen tekenen

 
ze zeggen dat mensen de moeilijkste dingen om te tekenen zijn.
ik denk dat dat komt omdat er een groot verschil is
tussen dingen die altijd hetzelfde blijven en mensen.
het mooie aan stillevens is
dat ze niet moeten rijpen zoals mensen dat doen,
in een periode waarin je iets onhandigs bent
en lichaamsdelen hebt die alle kanten op groeien.
het mooie aan mensen is dat ze veranderen,
en dat potloodlijnen zoals wij oneindig verzinbaar zijn.

Gedachte bij een paniekaanval

 
ik denk dat ik dood ga.
dat de wereld zo bedreigend is
dat mijn hart uit mijn borstkas springt en weg rent
en mensen bij het oversteken omkijken, een oude vrouw met krullen
en een oude man met kale plekken waar de vrouw zich niet aan stoort:
er loopt een hart op straat.
 
ik weet dat het opmerkelijk is.
een hart is een orgaan dat bloed door een lichaam pompt.
als het geen lichaam meer heeft, wordt het een werkloos ding
met linker- en rechterventrikels die niemand kent
en aders die ongecontroleerd in leven blijven.
 
het is te warm om te rennen.
 
er snuffelen katten aan de kleppen.
er zijn mensen die dat bijzonder vinden.
ze wijzen en nemen hun telefoons uit de binnenzakken
van hun jassen om hun statussen op facebook bij te werken.
(voelt zich – opgetogen. zag net een loslopend hart
in de Gentse binnenstad.)
vind-ik-leuks: zestien.
 
een jongen wil een selfie nemen.
een journalist belt zijn redacteur.
van wie ben je, vraagt iemand want dat is nodig
om het verhaal geloofwaardig te maken.  
 
ik ben alleen –
– en ik denk dat ik dood ga.
 
het is moeilijk voor een hart om onopvallend te zijn,
omdat het machinaal pulseert en niet zoals mensen
kan beslissen om stil te staan.
ik ben bang dat ik uit mijn lijf barst.
 
aan de overkant van de straat wuift een appelboom.
de takken lijken op wegwijzers in het nakende warmte-onweer.
ik kruip in de bladeren, mijn ademhaling op acht Beaufort.
het stormt gekreukte gedachten die opgevouwen in de kast “Verwerkt” lagen.
de lucht ligt torenhoog op mijn schouders.
 
in de thoraxholte achter mijn borstbeen
zweeft een lege plek van twee vuisten groot.
ik voel nog steeds de afdrukken van mijn hart op mijn linkerlong.
ik wil alleen maar een knuffel
en jij die zonder ramptoerisme zegt
dat alles goed komt.
 
 

Vlinders

 
een kind zegt dat er vlinders in mijn buik zitten.
hoe weet je dat, vraag ik. ik zie het, zegt de jongen.
ik kijk naar beneden om na te gaan of er een voelspriet
door mijn navel prikt. acht opgevouwen vleugels
slapen als een middenrif tussen mijn borst- en buikholte.
hun achterlijven trillen bij elke uitademing.
 
doet het pijn, vraagt hij. ik denk het niet, zeg ik.
er hebben nog nooit vlinders in mijn buik gewoond.
ik denk dat het kriebelt als ze wakker worden.
we fluisteren. ik vraag me af of ze aan me vast zitten,
en of we dan samen oud zullen worden,
hun latente schubben verfrommeld als rimpels
in een gedateerde huid.
de antennes van insecten dragen gevoelige receptoren
die dienen om een geschikte partner te signaleren.
 
toen ik vannacht in spiegelbeeld naast haar lag,
kropen ze comfortabel tussen ons in.
ik denk aan hoe het was, met z’n vieren,
hoe haar lach, en mijn ogen, hoe haar handen
mijn lichaam stroomlijnden zoals chloorwater
in een zwembad bij vlinderslag, en hoe we dan
in zandlopervorm in slaap vielen, mijn vingers
gekruld in de golven van haar haren.
 
god, ik mis u.
 
ik zei dat ik mijn ribben voelde lachen.
de jongen zegt dat dat niet kan,
en dat sommige vlinders vensters in hun vleugels hebben.
ze lijken dan hun leven lang op fladderende herfstbladeren.
ik hoop dat ze nooit per vergissing in herbaria belanden,
naast vergankelijk gedroogde bloemen, hun pootjes wriemelend
op dubbelzijdige kleefband onder een kader met naam en toenaam.
 
wij houden niet van hokjes, vul ik aan. gewoon van elkaar.
 
het kind vraagt of ik stuifmeel heb.
ik denk het niet, zeg ik.
ik heb vanmorgen wel aardbeien gegeten.
ik heb de pitten uit de frambozen geplukt
en ze naar het licht gehouden.
er straalden roze stukken zon door.
dat vonden we een warme gedachte.
 
 

Er ligt een vrouw op de trein

 
er ligt een vrouw op de trein.
technisch gezien ligt ze niet op de trein, maar erin.
ze ligt op zetels, een vierzit.
niet op vier zetels, op twee.
ze ligt met haar hoofd op de armsteun aan het gangpad
en haar benen opgevouwen tegen het raam.
ze is groot.
ik weet niet precies hoe groot. 
ze ziet er een beetje verfrommeld uit.
ik zou haar willen zeggen dat ik het andersom zou doen,
want dat een raam toch beter is om tegen te liggen dan een armsteun,
maar ik doe het niet.
 
tegenover haar zit een man.
hij zoent haar op de lippen, dus ik neem aan dat het haar vriend is.
ik hoop het, want technisch gezien zou het niet mogen
dat een man een vrouw zoent zonder dat zij dat ook wil.
hij draagt een hemd waarvan de bovenste knopen open staan
en de onderste met alle moeite de stof rond zijn buik bij elkaar houden.
ik ben bang dat hij op de vrouw valt als de trein remt.
ik zeg het niet.
 
op de grond kleeft het stickertje van een appel.
hij komt uit het buitenland, zoals dromen dat ook zo vaak doen.
 
 
ik zeg excuseer, een jongen zegt waarom, ik zeg ik weet het niet.
zijn moeder zit twee banken verder.
 
die jongen tekent cirkels op gerecycleerd papier.
ik denk: zou ik mezelf kunnen recycleren?
uit afval nieuwe producten maken.
zou er iets aan mij herbruikbaar zijn?
 
de jongen kijkt naar buiten.
hij ziet dingen die volwassenen verbeelding noemen.
kijk, mama.
ge moogt niet wijzen, zegt zijn moeder, en zit stil.
ik vraag me af waarom.
 
ik begin met mijn benen te wiebelen.
ik hoop dat ik zo hard wiebel dat de lucht ervan gaat trillen en de jongen omkijkt.
ik stel me voor dat iedereen het doet, een hele trein vol wiebelende mensen.
maar ik zeg het niet.
 
iemand zei dat de vrouw die de haltes omroept een programma is.
enkel een stem, niemand weet nog dat ze ooit een lichaam had.
 
er waait een papieren zak over het pad.
nu pas merk ik dat het raam open staat.
de conducteur waait ook naar binnen.
ik ben altijd zo blij als ik mijn ticket kan laten zien,
omdat ik dan bewijs dat ik het goed doe.
 
er glijden bomen voorbij.
hazelaars.
dat zijn bomen waarbij technisch gezien de katjes in de oksels groeien.
als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
 
de mensen stoppen met wiebelen.
het is stil in de trein.
ik ben bang dat het zo stil wordt dat niemand straks nog weet hoe praten moet.
de stem van de vrouw zonder lichaam weerklinkt,
dat er oponthoud is door personen op een overweg.
ik kijk naar buiten.
er ligt een man voor de trein.
de mensen denken aan zijn vrouw, ik ook.
misschien is het de man van de stem van de vrouw zonder lichaam.
technisch gezien ligt hij niet enkel voor haar trein,
maar ook opzij, ernaast, en eronder,
en zij zegt: deze trein heeft 11 minuten vertraging.
 
 
 
 
 

Het gaat niet goed met het gezin

 
het gaat niet goed met het gezin,
zei de krant die ik las voor ik in de douche stapte.
 
ik draai aan de knoppen van warm en koud water.
het is heel moeilijk om de juiste temperatuur te vinden.
de stralen stromen genadeloos over mijn lichaam
en spoelen de goedbedoelde raad van vroeger weg.
 
van mijn zus kreeg ik witte macadamiamelk.
ik duw de laatste rest uit de fles en kijk hoe de zeep in mijn handen glijdt.
er vallen tranen uit mijn ogen omdat ik me de geur van familie herinner.
 
de zeep schuimt als schapenvellen.
ooit hield ik een dood lam in mijn armen, verstoten door zijn moeder.
vlak voor hij stierf, rilde hij nog, alsof hij in morsecode wilde zeggen
dat sommige dingen gewoon niet goed gaan, en dat je er niets uit kan leren.
 
ik heb wel geleerd hoe je een handdoek gebruikt.
hoe je die om je lichaam moet slaan en het douchen van je af moet wrijven.
ik denk dan altijd dat ik een slang ben die vervelt.
soms ben ik jaloers op slangen, omdat ze zo vaak kunnen vernieuwen.
 
mijn moeder hield niet van vernieuwing.
ze was mede mogelijk gemaakt door peperkoek.
ze wilde altijd sneetjes zonder parelsuiker, die ik eraf mocht plukken.
ik zette altijd Lipton thee voor haar,
met een zoetje van het huismerk en twee afgestreken lepeltjes citroen.
 
als het lente werd, werkten we in de tuin.
ieder jaar bij het verwerken vroeg ik haar iets over floxen
zodat ze kon zeggen dat dat oma's liefste bloemen waren.
 
we wiedden ook onkruid, alsof het vaders waren.
we keken of ik al in bloei stond, maar later groeide ik alleen nog in de diepte.
 
met de handdoek wrijf ik mijn huid droog en de tranen weg.
ik heb geen kleren aan.
als je dan op de grond gaat zitten, je knieën optrekt, 
je armen om je benen slaat en heel diep inademt, 
lijkt het of je wordt geknuffeld.
 
ik denk: ik ben niet goed in breken.
 
 
 
 

Mensen vragen hoe het met me gaat

 
mensen vragen hoe het met me gaat.
ik vind dat altijd zo stresserend.
dan krijg ik het gevoel dat ik een samenvatting
moet geven en weet ik niet of ik moet beginnen
met wat wel gaat of wat niet of wat een beetje
 
en dus maar alles door elkaar vertel en de persoon
die gevraagd had hoe het ging niet weet
of hij of zij nu moet besluiten of het dan wel
of niet goed met me gaat.
 
en als ik dan uiteindelijk zeg dat het zo of zo gaat
 
vergeet ik soms iets of voel ik een seconde
later al iets helemaal anders en heb ik spijt dat
ik niet verteld heb dat het toch ook zo gaat
 
en ik wil dat ik de vraag opnieuw
mag beantwoorden
omdat ik me niet onbegrepen wil voelen door
de persoon die gevraagd had hoe het met me ging.
 
maar daar is meestal de tijd niet voor.

Een traan

 
als een traan op een gsm-scherm valt,
blijft ze daar rondborstig liggen.
alsof de letters die je wil typen
niet anders kunnen dan vervormen tot klemtonen
waarvan je nog niet weet waarom ze nodig zijn.
een beetje zoals dingen voelen,
dat wordt ook hoogstens achteraf begrepen.
 
Back to Top