Vlinders

 
een kind zegt dat er vlinders in mijn buik zitten.
hoe weet je dat, vraag ik. ik zie het, zegt de jongen.
ik kijk naar beneden om na te gaan of er een voelspriet
door mijn navel prikt. acht opgevouwen vleugels
slapen als een middenrif tussen mijn borst- en buikholte.
hun achterlijven trillen bij elke uitademing.
 
doet het pijn, vraagt hij. ik denk het niet, zeg ik.
er hebben nog nooit vlinders in mijn buik gewoond.
ik denk dat het kriebelt als ze wakker worden.
we fluisteren. ik vraag me af of ze aan me vast zitten,
en of we dan samen oud zullen worden,
hun latente schubben verfrommeld als rimpels
in een gedateerde huid.
de antennes van insecten dragen gevoelige receptoren
die dienen om een geschikte partner te signaleren.
 
toen ik vannacht in spiegelbeeld naast haar lag,
kropen ze comfortabel tussen ons in.
ik denk aan hoe het was, met z’n vieren,
hoe haar lach, en mijn ogen, hoe haar handen
mijn lichaam stroomlijnden zoals chloorwater
in een zwembad bij vlinderslag, en hoe we dan
in zandlopervorm in slaap vielen, mijn vingers
gekruld in de golven van haar haren.
 
god, ik mis u.
 
ik zei dat ik mijn ribben voelde lachen.
de jongen zegt dat dat niet kan,
en dat sommige vlinders vensters in hun vleugels hebben.
ze lijken dan hun leven lang op fladderende herfstbladeren.
ik hoop dat ze nooit per vergissing in herbaria belanden,
naast vergankelijk gedroogde bloemen, hun pootjes wriemelend
op dubbelzijdige kleefband onder een kader met naam en toenaam.
 
wij houden niet van hokjes, vul ik aan. gewoon van elkaar.
 
het kind vraagt of ik stuifmeel heb.
ik denk het niet, zeg ik.
ik heb vanmorgen wel aardbeien gegeten.
ik heb de pitten uit de frambozen geplukt
en ze naar het licht gehouden.
er straalden roze stukken zon door.
dat vonden we een warme gedachte.
 
 

Er ligt een vrouw op de trein

Er ligt een vrouw op de trein.
Technisch gezien ligt ze niet op de trein, maar erin.
Ze ligt op zetels, een vierzit.
Niet op vier zetels, op twee.
Ze ligt met haar hoofd op de armsteun aan het gangpad
en haar benen opgevouwen tegen het raam.
Ze is groot.
Ik weet niet precies hoe groot. 
Ze ziet er een beetje verfrommeld uit.
Ik zou haar willen zeggen dat ik het andersom zou doen,
want dat een raam toch beter is om tegen te liggen dan een armsteun,
maar ik doe het niet.
 
Tegenover haar zit een man.
Hij zoent haar op de lippen, dus ik neem aan dat het haar vriend is.
Ik hoop het, want technisch gezien zou het niet mogen
dat een man een vrouw zoent zonder dat zij dat ook wil.
Hij draagt een hemd waarvan de bovenste knopen open staan
en de onderste met alle moeite de stof rond zijn buik bij elkaar houden.
Ik ben bang dat hij op de vrouw valt als de trein remt.
Ik zeg het niet.
 
Op de grond kleeft het stickertje van een appel.
Hij komt uit het buitenland, zoals dromen dat ook zo vaak doen.
 
Ik zeg excuseer, een jongen zegt waarom, ik zeg ik weet het niet.
Zijn moeder zit twee banken verder.
 
Die jongen tekent cirkels op gerecycleerd papier.
Ik denk: zou ik mezelf kunnen recycleren?
Uit afval nieuwe producten maken.
Zou er iets aan mij herbruikbaar zijn?
 
De jongen kijkt naar buiten.
Hij ziet dingen die volwassenen verbeelding noemen.
Kijk, mama.
Ge moogt niet wijzen, zegt zijn moeder, en zit stil.
Ik vraag me af waarom.
 
Ik begin met mijn benen te wiebelen.
Ik hoop dat ik zo hard wiebel dat de lucht ervan gaat trillen en de jongen omkijkt.
Ik stel me voor dat iedereen het doet, een hele trein vol wiebelende mensen.
Maar ik zeg het niet.
 
Iemand zei dat de vrouw die de haltes omroept een programma is.
Enkel een stem, niemand weet nog dat ze ooit een lichaam had.
 
Er waait een papieren zak over het pad.
Nu pas merk ik dat het raam open staat.
De conducteur waait ook naar binnen.
Ik ben altijd zo blij als ik mijn ticket kan laten zien,
omdat ik dan bewijs dat ik het goed doe.
 
Er glijden bomen voorbij.
Hazelaars.
Dat zijn bomen waarbij technisch gezien de katjes in de oksels groeien.
Als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
 
De mensen stoppen met wiebelen.
Het is stil in de trein.
Ik ben bang dat het zo stil wordt dat niemand straks nog weet hoe praten moet.
De stem van de vrouw zonder lichaam weerklinkt,
dat er oponthoud is door personen op een overweg.
Ik kijk naar buiten.
Er ligt een man voor de trein.
De mensen denken aan zijn vrouw, ik ook.
Misschien is het de man van de stem van de vrouw zonder lichaam.
Technisch gezien ligt hij niet enkel voor haar trein,
maar ook opzij, ernaast, en eronder,
en zij zegt: deze trein heeft 11 minuten vertraging.
 
 
 
 
 

Mensen vragen hoe het met me gaat

 
mensen vragen hoe het met me gaat.
ik vind dat altijd zo stresserend.
dan krijg ik het gevoel dat ik een samenvatting
moet geven en weet ik niet of ik moet beginnen
met wat wel gaat of wat niet of wat een beetje
 
en dus maar alles door elkaar vertel en de persoon
die gevraagd had hoe het ging niet weet
of hij of zij nu moet besluiten of het dan wel
of niet goed met me gaat.
 
en als ik dan uiteindelijk zeg dat het zo of zo gaat
 
vergeet ik soms iets of voel ik een seconde
later al iets helemaal anders en heb ik spijt dat
ik niet verteld heb dat het toch ook zo gaat
 
en ik wil dat ik de vraag opnieuw
mag beantwoorden
omdat ik me niet onbegrepen wil voelen door
de persoon die gevraagd had hoe het met me ging.
 
maar daar is meestal de tijd niet voor.

Een traan

 
als een traan op een gsm-scherm valt,
blijft ze daar rondborstig liggen.
alsof de letters die je wil typen
niet anders kunnen dan vervormen tot klemtonen
waarvan je nog niet weet waarom ze nodig zijn.
een beetje zoals dingen voelen,
dat wordt ook hoogstens achteraf begrepen.
 

Rommel

 
we moeten het even over de rommel hebben.
er staan kasten in de weg van oude levens
en gedachten die niet meer van ons zijn.
we legden knopen in de veters van onze schoenen
om niet te vergeten dat we onderweg waren.
ik ben onverdeeld het noorden kwijt, zei je.
we liggen al belachelijk lang te bestoffen.

Weerloos

 
ik ga even doen alsof ik het allemaal
wel kan, zei ze. ze strekte haar tenen,
groette de dingen, verdronk haar gedachten
in de koffie van een ander,
viel niet in stukken uiteen
en deed de deur achter zich dicht.
het kostte haar zichtbaar veel moeite.

We lopen uit de hand

 
we lopen uit de hand, zeg ik.
ja, zeg jij. zoals een ijsje in de zon.
we druppen op de grond in plakkerige bollen
en smelten tussen de straatstenen.
een hond loopt langs, hij snuffelt.
een kind zeurt om pistache met nootjes.
wij liggen af en toe te verdwijnen.
het is een klevende gedachte.

Lofdicht aan een schoolgebouw

 
het was een zomer die warm was, zoals zomers behoren te zijn.
op de dag van mijn afstuderen wandelde ik door het bos
omdat ik een enige keer iets wilde doen wat niet mocht.
ik werd er nerveus van, rebellie is ook maar
besteed aan de echte opposanten.
 
veel liever was ik de leerling die endorfine maakte op de voorste bank.
ik hield van nieuwe dingen leren en de oorzaak van het probleem
bestond eruit dat alles in de wereld op een andere manier
een zekere vorm van intrige vertoonde.   
 
Plato zegt dat mensen ideeën zijn.
 
men geloofde wel eens dat de school in al haar voegen wist hoe oud ze was.
ik voelde me dan geïntimideerd, alsof ik stapte op de rimpels
van een geleerde burcht en het glorieuze kraken van gebouwen.
de gangen fluisterden dat cultuur de mooiste vorm van verdwalen is.
ik herinner me de lokalen die op slaapvertrekken leken.
hoe ik dan dacht dat tijd zoiets als dromen was,
en wij de geschiedenis op witte papieren konden verzinnen.
het erfgoed tekende de contouren van verbeelding.
ze zeiden dat we leerden vliegen.
 
we waren vogels, ik een huismus. we broedden onze kennis
onder bruggen die leraren stoïcijns gebouwd hadden. ik vond dat
een mooi woord, stoïcijns, het deed me denken aan gemoedsrust.
we bladerden door de klassieke oudheid zoals reizigers door een atlas.
onze vingers trokken grenzen tussen versvoeten.
 
het landschap van het schoolgebouw
bracht ooit een hert naar de speelplaats.
 
een leerling was geen lijdend voorwerp.
we konden vragen stellen en zelfs de muren hadden antwoorden.
later bleken vraagstukken en hoofdletters relatief, toen gesprekken
ook in stilte getuigden van een grote dosis menselijkheid.
sommige dingen moeten alleen maar gevoeld worden.
 
als ik groot ben, word ik humanitair werker.
ik spreek de taal van tederheid. gelukkig zijn er leerkrachten
die weerloos bijna voedzaam en mussen de grootste trekvogels vinden.
 

Iets over Roodkapje

 
in het jaar waarin ik negen werd,
kruimelde het leven zo hard dat we er broodpudding van konden maken.
ik boterde een bakblik in en roerde tot de klonters verdwenen.
de oven zoemde toen we de krokussen hadden getekend.
ik opende de klep met grotemensenwanten,
we warmden onze handen aan de zoete winterlucht.
 
ik wilde de taart met rimpels versieren.
we plukten bloemen tussen de bomen
en wisten niet dat grootmoeders ook verwelken.
we waren meisjes met rode hoeden in een verhaal dat voorgelezen wordt.
 
onderweg verdwaalden we.
de verte kwam dichter, raakte onze neuzen,
werd een koffer die we moesten dragen om de weg te kunnen zien.
het donker knaagde het vlees van onze botten en het eten uit de mand.
 
er brandde licht in het huis dat een nest was.
we klopten op de deur, maar vroeger was te lang geleden
en de liefde herkende onze gezichten niet.
ik zocht de afgrond. we sleepten de nacht achter ons aan.
 
jaren later viel de zon op mijn hoofd.
ik trok mijn lichaam uit, slaakte een zucht
en legde mijn naakte ziel naast grootmoeder in bed.

Schotse momenten

 
toen ik in de paasvakantie alleen op reis ging en aankwam in Schotland,
wandelde ik door het grootste treinstation van Glasgow.
midden in de centrale hal stond een grote, houten balk
met aan vier kanten dezelfde analoge klok.
als de secondenaald de twaalf raakte,
versprong de lange wijzer een minuut,
alsof het leven altijd op hetzelfde ritme wegtikt.
aan de voet liepen de mensen de tijd voorbij.
 
veertig minuten van Glasgow lag Hamilton park.
ik zag er een eekhoorn, schapen, bruine runderen
en een oude vrouw met blauwe oogschaduw
die dansjes deed omdat ze nog nooit een toerist had ontmoet.
rond de middag klom ik in een eikenboom met dikke knoesten
om rozijnenboterhammen te eten en er was niemand die zag
hoe gelukkig ik was.
 
de volgende dag zat ik op de bus naar Loch Lomond,
een meer dat geboren was tussen de vlaktes en de hooglanden
waardoor niemand echt zeker wist waar het thuis hoorde.
ik had horen zeggen dat de avonden hier het mooist waren.
het water rimpelde op het oppervlak en weerspiegelde de zon
die langzaam verdween, alsof ze in de verte werd ingeslikt.
 
onderweg naar het meer passeerde de bus langs Levendale,
een dorp dat zo hard heuvelde dat het leek of we in een achtbaan zaten.
onder de bibliotheek was een autoparking.
er stond een bord van de gemeente
met een schuifbalk en twee vakjes, vrij en vol.
het was nog niet digitaal en ik vroeg me af of er dan iemand was
die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het balkje te verschuiven.
 
op maandag haastte een man zich naar het werk.
hij droeg een zwart kostuum, een grijze stropdas, geklede schoenen
en een hoed die aan de rechterkant een beetje deukte
omdat hij tegen het raam in slaap gevallen was.
terwijl hij bedrukt door de straten beende,
dronk hij geen koffie, maar caprisone met een rietje.
 
in Dundee dronk ik thee met een vrouw uit Japan.
op straat vond ik een stuk van zes centiemen.
dat hebben de Schotten ooit uitgevonden om kleine meisjes geluk te wensen.
je kreeg dan zo’n munt met het geboortejaar van je moeder op.
het is lang geleden dat ze mijn talisman werd.
 
de tweede week stapte ik het begin van de West Highland Way.
dat is een hele lange weg die start in Milngavie,
een stadje dat op een sprookje lijkt omdat er nog lantaarnpalen zijn
en de mensen zich schuifelend van de ene naar de andere plaats bewegen.
toen ik op de terugweg een stuk van de kaart wilde snijden,
klom ik door een modderpoel over een hek met horizontale stangen.
het was stil in het landschap.
vanachter een heuvel naderde een kudde wilde hooglanders.
ze kwamen loeiend dichterbij, tot een van hen het geluid
van mijn hartslag hoorde en we elkaar voorzichtig in de ogen keken.
er had nog nooit een koe aan mijn voeten gegrazen.
 
op het einde van de reis hielp ik zwangere schapen bevallen.
een tweeling stierf, een lam lag weerloos op een heuveltop.
het was koud die nacht.
de zon viel neer, de lucht kleurde marineblauw met witte sterren.
in mijn armen klonk het oorverdovend gemis
van een jong verstoten door haar moeder.
het rilde, bijna in morsecode,
alsof het alleen maar kon zeggen:
sommige dingen gaan niet goed.
zomaar, zonder dat je er iets uit kan leren.
 
 
 
 
 
Back to Top