Ik wil vallen

 
ik wil vallen, zei de vrouw. maar dat is absurd! vond hij.
ik wil vallen en blijven liggen en dan weer rechtstaan.
maar hoe doe je dat?
gewoon, je valt. ben jij nog nooit gevallen?
ja, maar nooit op die manier.
zal ik het je uitleggen?
graag.
 
ooit voordat ze vrouw werd, was ze een meisje dat rende,
de wijzers van de klok voorbij. de verte was zo mooi dat ze haar voeten vergat.
hoe lang hebben we nog alle tijd van de wereld? snikte ze
en ze telde haar bestaan in lichtjaren.
het verleden bleef achter waar zij de toekomst wilde kussen.
wacht op mij! riep haar schaduw.
 
de grond waarop ze rende verstilde met haar passen.
ze struikelde en wenste dat ze deelbaar was,
zodat enkel haar benen zouden vallen en haar hoofd kon blijven rennen.
haar lichaam viel, tuimelde zonder zwaartekracht.
ze sloot haar ogen.
ik wil de tijd naar buiten jagen.
 
ze bleef liggen. en de verte werd nog mooier.
 
zo, zei hij.
zo.
zullen we samen vallen?

Oktoberavonden

 
ik wil gewoon alleen maar ik zijn, fluisterde ze
en ze keek naar buiten, de dageraad in.
hoog in de troposfeer verzamelden witte watten cumuluswolken,
dat zijn die die op schapen lijken, 
die zij zag maar niet voelde,
ver buiten de wereld die ze kende.
die winter was parelmoer een hoopvolle kleur.
 
we joegen samen het donker weg.

het dennenappelseizoen was lang voorbij.
we konden ons bestaan niet langer ontkennen.
ze was nog niet klaar, maar we deden alsof we beter wisten
en we bestonden tot we er moe van werden. 

mag ik op winterslaap?
ze struikelde over de stappen die ze zette. 

een beetje sterven is balanceren.
de ochtend duwde de zon omhoog;
we plooiden onze lichamen tot grote mensen.
kijk, ik leef! haar stem was dauw geworden. 
als ze sneeuw was, zou ze smelten. 

we timmerden een weg die zacht voelde.
dan, op een dag, proefde zij het leven.
ik wil een prachtige vrouw worden, zei ze.

en dat deed ze.
 
 
 
 
 

Hem en haar I

 
jij bent mijn mooiste achtergrond,
zoende ze haar telefoon en ze giechelde tot haar stem versleet.
hoe doe je dat, verliefd zijn? 
zij wist het niet. hij evenmin.
 
ze waren aan het leven en op een dag werden ze zo verliefd
dat de wind ervan ging liggen.
hun hoofden pasten als vlammen bij elkaar.
 
ik hoor je graag, zei ze. 
dus sloot ze haar ogen en ze luisterde
naar hoe zijn strottenhoofd de woorden vormde
waar zij zich in kon wentelen.
haar hart was een scheepskanon dat het zijne doorkliefde.
Back to Top