Ijsjes

Toen ik acht was, kreeg ik van mijn vader een doosje zeelucht.
Ik was er heel spaarzaam op,
want ik wist niet hoe lang geuren bewaard bleven
en ook niet of ik dan beter in of buiten het doosje uitademde.
 
Hij had alle lucifers opgebrand
en ons het vuur aan de schenen gelegd.
Ik hield het meest van de seconde vlak voor de lucifer ontbrandde,
van dingen die bijna vernietigd worden.
 
Die zomer had ik besloten dat ik van de zee hield.
Ik speelde er tikkertje mee.
Raakte het water aan met mijn voeten,
rende weg, liet het achter mij lopen.
De zee leek op mijn moeder,
die ook altijd wegging,
en dan weer terugkwam
en dan weer wegging.
 
Mijn moeder.
Soms dacht ze dat ze een golfbreker was.
Ze stond op het strand met haar benen open
en zei dat wij achter haar moesten gaan staan, in een rijtje.
Zo zag het eruit om samen tegen iets bestand te zijn.
 
’s Nachts droomde ik van vloedgolven.
Ik wilde het zand in mijn ogen wrijven om beter te kunnen slapen.
 
Als mijn badpak nat was, werd het één met mijn lichaam.
De contouren van mijn huid stonden vast
en mijn schaduw flapperde niet meer.
Ik was alleen maar een vorm die aan een mens deed denken.
 
Een heremietkreeft koos een schelp om in te wonen.
Ik zei: Ik wil ook mijn thuis kunnen kiezen.
 
Een kind viel toen hij een frisbee achterna rende.
Hij viel in stukken, eerst zijn voeten, dan zijn benen, zijn romp, en zijn hoofd.
Ik vroeg: Val je altijd zo.
Hij zei: Mensen vallen nooit in één keer.
Ik zei: Ik wou dat mijn schouders als laatste vielen.
 
We kregen ijsjes.
Ze drupten langs onze vingers
en stroomden tussen de straatstenen.
De discobolletjes kleurden onze tongen,
dus als we boos waren, staken we een regenboog uit.
 
We begroeven onze moederkoek in de duinen
en hoopten dat er een stamboom uit zou groeien.
 
 
 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Back to Top