Nectarines

Het is een jaar geleden dat je kapot ging.
Het was een zondag, het was stil.
Je zei: Zo ging ik dan kapot - en een lavendelstruik ritselde
en ik dacht aan de wind, toen we samen door een onweer dansten.
Je jas vloog open en je zei dat je een zeearend was.
 
Je keek me aan, je verwachtte dat ik een antwoord had.
Ik zei: Ik heb nog nooit iemand gekend
die op zo’n mooie manier kapot is gegaan.
Je bestond uit kleine stukken en je wist niet meer hoe je in elkaar paste.
Ik wilde je verzamelen en als een collectie in mijn armen nemen.
 
Ik zag de zorgen in je voorhoofd - ze waren gestreept,
zoals loopgraven - je was aan het vechten.
Soms beet je op je nagels.
Er was niemand die beter op nagels kon bijten dan jij,
ik dacht altijd dat je een schaartje had gebruikt.
 
Je hield niet van lange nagels want je vond het niet leuk om scherp te zijn.
Je hield van zachte dingen, dingen die je bijna niet kon voelen.
Lucht, water.
Ooit sprongen we ’s nachts in een rivier.
We hadden geen kleren aan.
Onze lichamen braken het maanlicht dat
op het water een heldere streep achterliet.
In het Zweeds hebben ze daar een woord voor, mångata.
Ik wou dat ik het zelf had uitgevonden.
 
Er zijn veel dingen die ik zelf had willen uitvinden.
Bloemen, moederliefde, zetels, de kleur violet.
Ik wou dat ik een vergrootglas kon bedenken
waarmee je alleen de goede dingen zag.
Ik zou inzoomen op je tranen
en vertellen hoe er een regenboog in groeit.
 
Ik vouwde mijn lichaam als een bolster rond het jouwe.
Ik wou dat ik je kon beschermen.
Als je sliep, zag je eruit zoals een vlaggetje,
met je ene been gestrekt en het andere geplooid.
Je was wit - zelfs in je slaap smeekte je om niet aangevallen te worden.
 
Soms was je gelukkig, vooral als je kon doen wat je het liefste deed.
Je at ooit een appel en ik vroeg wat je lievelingsfruit was
en je zei dat je dat een oneerlijke vraag vond.
Soms hield je van nectarines.
We beten gulzig de pit uit de vrucht en keken wie
om ter snelst de gele draadjes van de steen knabbelde.
Soms schuurde je je mond met een kiwi,
soms pelde je bananen alsof het dromen waren.
Je zei dat je wou dat je nog slaappitjes in je ogen had.
 
Ik nam je favoriete boeken uit de kast
en legde ze horizontaal aan beide kanten van het bed.
Wij lagen ertussen.
Zo voelde het om gedachtestreepjes in een zin te zijn.
We waren een pauze terwijl alles rond ons verder ging.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Back to Top