Op kousenvoeten

Ik heb nooit geweten hoe mijn grootvader zijn tenen verloren was. Op de plaats waar zijn voet had moeten overgaan in vijf aparte delen, flapte de neus van de kous naar beneden, zoals de mouwen van een te warm gestreken overhemd. Wanneer hij stapte, schoven zijn schoenen ongemakkelijk heen en weer. Ik zei hem eens dat hij beter een kleinere maat kocht, maar dat wilde hij niet. Hij zei dat hij zijn waardigheid niet aan sneakers wou verliezen. Alsof het leven voor hem niet in z’n kinderschoenen mocht staan.
 
Hij was niet zonder tenen geboren. De menselijke ontwikkeling vergeet soms onderdelen, ja, maar niet bij mijn grootvader. Dat had ik gezien toen ik zijn oude fotoalbums bekeek. Op een foto in het midden van het boek zat hij op een omgevallen boom, een blonde jongen met een glimlach waarin een voortand ontbrak. Iemand met een keurig handschrift had eronder geschreven: Miel, het bos, september 1930. Hij droeg een coltrui, een bermuda en sandalen, die dus de voorkant van zijn voeten bloot lieten. Ik telde tien perfecte, weliswaar bemodderde tenen.
 
Miel was een verkorting voor Kamiel. Zijn vrienden noemden hem zo, en zijn moeder als ze boos was. Als ik niet zijn kleinzoon was geweest, en hem dus niet met het bijhorende respect had moeten benaderen, had ik Kameel gezegd, omdat het ouder worden hem een gebochelde rug had gegeven.
 
Een gebochelde rug en, dat zei ik al, geen tenen, twee dingen die van mijn opa een misvormde man maakten. Ik had voor zijn tenen drie scenario’s bedacht. Het eerste was een verkeersongeval. Hoewel mijn grootvader altijd zes keer keek bij het oversteken, kan er ooit iets misgelopen zijn. Het tweede was de oorlog. Kamiel was 17 toen die uitbrak, maar hij wou er nooit over praten. Het derde scenario was een rotsblok, dat onverwacht viel en de tenen van zijn voeten brak. Mijn grootvader had in een steenkoolmijn gewerkt. Hij had een lamp waarop hij de keren turfde dat hij met de mijnwerkers naar Lourdes was geweest, want het was een katholieke groep. Ooit mocht ik mee. Ik kreeg een kleine lamp waar ik één streepje in kraste.
 
Af en toe probeerde ik te bedenken hoe het zou zijn om geen tenen te hebben. Toen ik nog jonger was, mocht ik soms in het grote bed van mijn ouders slapen. Dan kroop ik helemaal naar het voeteneind om met mijn grote teen de voeten van mijn moeder te kietelen. Je kan zoveel met je tenen. Mis je het niet, vroeg ik hem, op je tippen lopen? Lange tenen hebben? Nee, zei hij. Ik mis het alleen om het vuil van onder mijn nagels te halen. Soms deed Gertruud dat, omdat ze dat leuk vond. Hij was heel goed in nee schudden. Hij deed het langzaam, omdat de spieren van zijn nek moeilijk van de ene naar de andere kant rekten. Ik heb het eens getimed. Als opa ergens niet mee akkoord was, had hij 34 seconden nodig om dat non-verbaal te communiceren.
 
Gertruud was mijn grootmoeder, een vrouw met ballen aan haar lijf, zoals ze dat zeggen. Ze hadden elkaar ontmoet op de foor, waar zij met een jachtgeweer een blikje omver schoot dat aan de andere kant van de weide stond. Een uitgestrekte weide, want de kermisjongen was buiten adem omdat hij het blikje steeds recht moest gaan zetten. Ze speelden verliefd, verloofd, getrouwd tot zij als eerste doodging. Kanker. Gefaalde chemotherapie. Hij had de haren die ze verloor in een zakje bijgehouden. Ze waren wit, dus het leek alsof hij een kleine wolk had gemaakt. Soms hield hij het zakje tegen de lucht, zodat hij kon zien hoe goed ze met het blauw matchten.
 
Veel in zijn huis was blauw en wit. De badkamer. De achterwand van de keuken. Een theepot. Haar schoenen. Hij kon het niet over zijn hart krijgen om die weg te doen. Soms paste hij ze zelf. Dat ging, want Gertruud had kleine voeten. Op een dag waren ze op bed gaan liggen, Gertruud met tenen, hij zonder. Ze hadden hun benen in de lucht gestoken en hun voeten vergeleken. Ze waren precies even groot, en op dat moment voelde hij zich heel gelukkig.
 
Mijn opa’s gebrek aan tenen was in de familie nooit echt een onderwerp. Het was er gewoon, zoals de drukke bloemen op de sofa, of het rode krukje in de hoek waar ik op moest zitten als ik snoepjes uit de kelder had gepikt. Onze familie praatte wel over andere dingen. Bankschulden. Hypothecaire leningen. Besparingen. De voedselbank. Om dat niet te moeten horen, las ik boeken, hopen boeken. Ik las eerst het einde, want ik wilde weten of een verhaal goed afliep voor ik eraan begon. Dat heb ik nooit afgeleerd, ook niet toen ik verhalen beleefde in plaats van ze te lezen.
 
Een paar keer begon ik toch aan dingen die onmogelijk goed konden aflopen, vooral relaties. Mijn eerste vriendin had een klein wratje op haar onderkin, waar ze zich voor schaamde. Als ik haar kuste, drukte mijn kin ertegen. Soms kuste ik haar zo hevig dat ik hoopte dat ik het wratje naar binnen zou duwen. Ze vond het lief dat ik haar desondanks graag zag, maar toen het wratje operatief was verwijderd, was er niets meer om met liefde te compenseren. Mijn tweede vriendin huilde bij alles: de knoppen van de radiospeler, de kleur indigo, een kettingslot. Misschien deden al die dingen haar aan iets denken, iets onaangenaams, en huilde ze opdat ik haar zou vragen wat dat was. Ik heb een keer haar zakdoeken uitgewrongen om het gesprek aan te knopen.
 
Mijn grootvader hield het meest van mijn tweede vriendin. Hij zei dat er niets zo mooi is als het spoor dat tranen op een mensenhuid achterlaten. Ik heb hem zelf maar twee keer zien huilen. Op de begrafenis van mijn oma, toen hij een plastieken eendje op de kist zette, een verwijzing naar hun ontmoeting op de foor. En toen zijn kanarievogel stierf. Mijn opa huilde alleen als hij dingen kwijt raakte. Had hij ook gehuild toen hij zijn tenen verloor? Ik had het kunnen vragen, maar dat leek me ongepast. En bovendien, ik wist niet eens hoe hij zijn tenen verloren was. Ik had hem wel gevraagd hoe het eruit zag, een voet zonder tenen. Ik stelde me voor dat wanneer hij op het strand stapte, je aan zijn voetafdrukken niet kon zien welke richting hij uit ging.
 
Hij had beloofd dat ik de littekens mocht zien als ik twaalf werd, maar toen was hij al dood. Ik heb nog altijd spijt dat ik nooit stiekem heb gekeken.
 
 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Back to Top