Marlene van Niekerk

 
het kan onmogelijk de schuld van de rivieren zijn. (Agaat, p. 10)
 
hij kijkt naar mijn ogen alsof het de ogen van een inktvis zijn, alsof hij niet weet waar de ogen van een inktvis precies zitten, alsof hij niet weet wat een inktvis ziet. (Agaat)
 
mijn vlees is onrechtvaardig verdeeld over mijn botten. het gewicht van mijn geraamte is het enige eerlijke aan mij. (Agaat, p. 91)
 
iemand moet een krat vol kuikens brengen en mijn handen in zijn handen houden en de kuikens in mijn handen zetten en ze voeren met het wilde deeg gestippeld met spuug en zemelen. ik wil in mijn handpalmen weer het tjilpen en kloppen voelen van een kuikenlijfje. (Agaat, p. 92)
 
 
 
Back to Top