Bolsters

 
we zijn nog niet zo lang geleden geboren,
dacht ze toen we naar de avond keken.
het gras acupunctuurde in onze ruggen. 
ze zei dat ze bang was dat er een bolster op haar hoofd viel.
ik zei dat ik dat begreep.
 
ik zei dat ik niet wist dat het bolsters waren
en dat ik dat eigenlijk veel leuker vond. 
ze hingen mysterieus aan een boom, groene knobbels 
die we met half dichtgeknepen ogen konden wegblazen.
ik zei dat bang zijn misschien ook zo werkt. 
 
soms weet ik niet eens wat voelen is.
ze zeggen dat het op regenen lijkt
en dat stormen de dingen zuiveren 
en ik vraag me af wat er dan eerst was.
 
soms wil ik de aarde in mijn huid laten branden. 
 
ik was naar buiten gelopen en ik had haar niet gezien
omdat ze zoals het leven achter een muur was gaan staan.
mijn hart sprong zo hoog dat de oudste stenen scheurden. 
we aten maïswafels in stukken om over fragmenten te praten.
er was geen tijd geweest tussen reizen en werken. 
 
ik had die dag drie stenen gekocht. 
we luisterden naar wat de stilte te vertellen had
en speelden dat we in de knoop lagen.
er klonk het geluid van gelukkig zijn. 
onze armen grepen elkaar als strohalmen.
ik was de eerste die ontknoopt werd
toen ik nog verward wilde zijn.
 
we herschreven de regels van badminton
zodat we allemaal raketten werden. 
we sloegen onze verhalen over het net
tot ze gewichtloos in pluimen veranderden. 
er gleed een vliegtuig door de regen. 
 
later rolden we over het grasveld.
onze hoofden wankelden en ze fluisterde waarom ik gevallen was.
ik verpakte mijn antwoorden in de wolken om ze zachter te maken. 
we keken naar de lucht en hoe die tussen ons en de kosmos hing.
haar handen tekenden druppels van een onweer in de bergen;
ik had inderdaad nog nooit zoiets moois gehoord. 
 
ik denk dat ik weet hoe liefde voelt.  
het werd voorzichtig schemeravond;
de zon schilderde haar eigen ondergang. 
misschien zijn we allemaal wel groene knobbels 
en worden we alleen maar bolsters als we vruchten dragen.
ik wilde voor altijd blijven liggen. 
 
 
 
 
 
 
Back to Top