Zetel / huis / nest

 
ik wil mijn huis niet besmeuren
met de kruimels van een eetstoornis.
ik wil mijn dromen niet meer invriezen,
geen muren bouwen in de woonkamer,
de geur van honger niet meer ruiken.
 
ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
ik wil de dampkap horen sissen.
ik wil broden bakken die je in hompen breekt
en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.
 
ik wil mijn handen gebruiken om mijn lichaam te omarmen,
mijn voeten om stappen te zetten.
ik wil leren dansen op grijze sokken
zodat de moed me niet in de schoenen zinkt.
 
ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.
 
dit is mijn lichaam.
dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
als je lang genoeg wacht, zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
dit zijn de toppen van mijn tenen.
ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.
 
dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.
 
dit is mijn lijf dat nog weet
hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
ik wil mijn lichaam dichtritsen zodat niemand er nog aan kan.
 
dit is mijn pijn. blijf eraf.
 
ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.
 
ik wil een bed dat zo hoog is
dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
 
dit zijn mijn vrienden.
 
ik wil een nest gemaakt van warme woorden,
van kastanjebladeren, van wintereiken.
ik wil een huis om te beloven:
ik zal altijd pompoensoep voor je maken.



 
 
Back to Top