Iets over Roodkapje

 
in het jaar waarin ik negen werd,
kruimelde het leven zo hard dat we er broodpudding van konden maken.
ik boterde een bakblik in en roerde tot de klonters verdwenen.
de oven zoemde toen we de krokussen hadden getekend.
ik opende de klep met grotemensenwanten,
we warmden onze handen aan de zoete winterlucht.
 
ik wilde de taart met rimpels versieren.
we plukten bloemen tussen de bomen
en wisten niet dat grootmoeders ook verwelken.
we waren meisjes met rode hoeden in een verhaal dat voorgelezen wordt.
 
onderweg verdwaalden we.
de verte kwam dichter, raakte onze neuzen,
werd een koffer die we moesten dragen om de weg te kunnen zien.
het donker knaagde het vlees van onze botten en het eten uit de mand.
 
er brandde licht in het huis dat een nest was.
we klopten op de deur, maar vroeger was te lang geleden
en de liefde herkende onze gezichten niet.
ik zocht de afgrond. we sleepten de nacht achter ons aan.
 
jaren later viel de zon op mijn hoofd.
ik trok mijn lichaam uit, slaakte een zucht
en legde mijn naakte ziel naast grootmoeder in bed.
Back to Top