Ochtendwandeling, Stropkaai

 
ik knijp mijn ogen toe om de afstand tussen de zon en de huizen te meten.
ze is geel en warm, een duimbreed boven de schoorstenen. 
aan mijn linkerkant komt een meerkoet kijken. 
 
ik wist niet dat meerkoets zulke grote poten hadden,
met drie lobben, zoals dikke, grijze herfstbladeren.
hij is zwart. ze zeggen dat donkere dingen niet kunnen zien
en het lijkt inderdaad of hij geen ogen heeft.
de stand van zijn kop veronderstelt dat hij naar de zon kijkt, zoals ik,
of naar de rivier eronder, waar een andere meerkoet met de borst vooruit
een niet standvastig patroon in het water zwemt.
 
ik zit op een houten figuur waar een balk op rust. 
op het voetpad laat een grijze vrouw haar bruine hond uit.
de meerkoet verstopt zich op de oever, achter een grasspriet.
de vrouw praat tegen haar hond; de hond luistert niet.
er ligt geen schilderij in het water, hond.
waarom zegt u dat? vraag ik.
ik ben een vrouw die ziet wat er niet is, zegt ze.
 
in het water zwemt een vrouwtjeseend in sneltempo een mannetje achterna.
later lees ik op wikipedia dat meerkoetvrouwtjes en meerkoetmannetjes er hetzelfde uitzien.
hoe hoger de zon klimt, hoe kleiner haar weerkaatsing is.
misschien is het zo dat ik bang ben om te groeien.
we willen toch allemaal gespiegeld worden.
 
(uit: soms denk je dat mensen blinde vlekken zijn)
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top