Na de voorronde van Naft voor Woord

 
de trein heeft 55 minuten vertraging
omdat er een persoon moest opgeruimd worden.
op het perron pruts ik aan de chocolade van een Snickers.
ik heb bier gewonnen, maar dat drink ik niet.
ik wil het wel ruiken,
dus ik probeer het kroonkurkje met mijn sleutel los te wrikken.
dat lukt niet, en ik voel me plots verdrietig
omdat ik niet weet hoe ik een bierflesje moet openmaken.
 
het is de sleutel van mijn brievenbus.
die is zwart, de bovenste van vier.
het voetpad loopt een beetje af,
ik moet op mijn tippen staan om de post te halen.
ik durf de onderbuur niet te vragen
of ik van brievenbus mag wisselen.
 
op de roltrap verschijnt het hoofd van een man,
en dan zijn lichaam.
hij geeft me zijn visitekaartje (Leo, freelancer)
en zegt dat hij oud is, maar wel Facebook heeft.
u bent helemaal niet oud, wil ik zeggen,
maar ik lach alleen maar,
en ik zeg dat ik ook een visitekaartje heb.
 
ik geef hem een biertje.
Maneblusser, dat drink ik graag, zegt hij.
hij vraagt wat ik van het leven denk.
ik heb een poëziewedstrijd gewonnen, zeg ik.
dan kan je iets wat ik niet kan, zegt hij,
en ik wil dat nog wegwuiven,
maar de trein is er al, zijn trein.
terwijl ik hem uitzwaai, voel ik me opnieuw verdrietig,
omdat ik hem niet gevraagd heb waarin hij freelancet.
 
ik zie mezelf op het perron zitten, tegen een grijze kast.
ik glimlach, want ik denk dat ik bewust gelukkig ben.
mijn rugzak staat naast me, en daarnaast de mand met biertjes.
het zou mooi zijn als iemand een schilderij van me maakte.
 
de man had ook nog gezegd
dat ik niet meer uit het gebroken glas mocht drinken.
dat was stuk gegaan toen een vrouw haar autodeur tegen de mand open gooide.
daar werd ik ook een beetje verdrietig van,
omdat ik dacht aan hoe waardering soms zo snel kan sneuvelen.
 
op de trein plof ik tegenover een meisje met een blauwe bloes. 
ik wil een gesprek met haar starten, maar ik weet geen onderwerp. 
misschien kan ik iets over haar oorbellen zeggen.
misschien kan ik haar ook een biertje geven.
ze zegt dat ze niet drinkt en het gesprek valt stil.
ik kijk naar buiten, maar ik zie alleen mijn eigen reflectie.
 
in Gent stap ik op de bus. 
de chauffeur is vroeg, dus hij praat nog met de chauffeur
van de bus op het perron ernaast, die geen dienst heeft.
ik vraag me af of alle buschauffeurs elkaar kennen. 
ze zeggen dat ik een mand vol biertjes heb. 
ja, zeg ik, ik wilde net vragen of u er eentje wilt. 
maar de mannen drinken ook niet.
een krullende jongen achter op de bus wel. 
 
het is zes haltes verder dat ik moet afstappen. 
de buschauffeur mompelt iets over het verkeer,
of over het station,
en ik doe alsof ik het verstaan heb. 
kent u alle buschauffeurs? vraag ik. 
 
ik weet het niet, zegt hij.
ik ook niet, denk ik.
maar ooit wil ik het weten. 
 
 
 

 

Back to Top