Hem en haar II

 
ze hadden ruzie, de vrouw en de man.
ze vlogen elkaar in de haren omdat de man de vrouw niet had gezegd
dat zij voor hem geen ronde, maar een langwerpige rozijnenkoek
van de bakker moest meenemen en zij daarop met haar ogen had gerold
en hij was gaan roepen en had gevonden
dat ze dat intussen uit zichzelf wel mocht weten.
 
de bakker had alleen croissants.
onzin, vond hij.
 
dus was ze twee straten verder gefietst,
de bomen voorbij, de huizen, het postkantoor, de tramhalte,
de katten op de vensterbank, de bloemen in de potten die ooit wapens waren,
lang geleden, op oudejaarsavond.
 
haar gedachten waren ganzen die naar de zomer vlogen.
en het lichaam dat ze was, aan de toonbank van de Turkse bakker,
bestelde uit eigen beweging. haar vingers wezen rimpels in de zoete tarwelucht.
 
hij wachtte en keek haar knarsetandend aan.
 
ze spuwden woorden naar elkaar (en hij rozijnen).
ze zaaiden giftige letters in het leven
dat met stoffer en blik niet schoon te maken was.
de man en de vrouw bleven drie uren boos.
toen hadden ze er genoeg van.
 
ik hou van je, zegden ze.
en ze vlogen elkaar om de nek.
Back to Top