Telefoongesprek

 
een bijna onthoofde mot is nu helemaal dood.
hoe heb je het gedaan? vraag ik.
we waren sinds de dag ervoor in dubio
omdat het beestje het al te lang volhield.
ze had, in een onbaatzuchtige poging 
het insect naar buiten te brengen, 
een blikje op zijn nek gezet.
het borststuk zoemde als ze het potje optilde.
de volgende ochtend leefde het nog,
grillend in de voormiddagzon.
ik heb er een beetje op geduwd, zegt ze.
 
vlinders sterven altijd in stukjes
(en soms leven ze ook zo).
 
ik zie mezelf weerspiegeld in het raam
omdat het nacht is en mijn lamp brandt.
ik lijk in de verte op een toneelstuk,
hoe dat ook mag aanvoelen.
ik zou willen dat ik mijn eigen rol speelde,
maar ik ken de tekst niet meer.
 
de fruitvliegen hebben ook niets te zeggen.
ik vries bananen in om er ijs van te maken.
mijn handen plakken; ze proeven naar kalium. 
de vloer ligt bezaaid met brokstukken van
kapot geblokte samenvattingen.
er is nog zo veel op te ruimen.
ik ben met honderd dingen tegelijk bezig 
en ik weet niet waarom. 
 
op de grond ligt een leeg rucolazakje. 
mijn ventilator blaast het tegen de stoel
en het maakt het geluid van wapperende vleugels.
ik schrik; de stoelpoot deinst ook achteruit.
we moeten echt gaan slapen.
 
mijn telefoon voelt warm aan mijn oor.
we zijn al anderhalf uur aan het bellen.
ze zegt dat ze in bed ligt
en dat haar raam op kiep staat.
het is lang geleden dat ik iemand 
het woord kiep heb horen gebruiken.
ik weet zelfs niet of het standaardtaal is. 
het klinkt zo mooi dat ik ga vragen
of ze het morgen nog eens wilt zeggen.
 
ik vind het leuk om aan morgen te denken.
dat lijkt een beetje op dromen
omdat je nog niet weet wat er komt
en alles altijd mogelijk is.
ik doe mijn licht uit.
welterusten.
 
 
 
 
Back to Top