Vervlogen

 
1.
je spat van het scherm en nu lig je hier,
in spetters op mijn blauwe vloer
en ik weet niet eens of ik je bijeen wil vegen.
 
2.
de maan lijkt op een partje mandarijn vannacht.
 
3.
ooit droomde ik dat het winter in de zomer werd
en we sneeuwmannen naast zandkastelen bouwden.
ik sloot mijn leerkracht aardrijkskunde op in de kerkers
toen ze een hele les volhield dat dat onmogelijk was.
 
4.
ik denk dat de Mount Everest niet weet 
dat hij de hoogste berg ter wereld is
en dat het verwarrend te begrijpen wordt
waarom de mensen een vlag op je planten
alsof je plots van iemand anders bent. 
 
 
 
 
  
 
 

Het zou een boek kunnen worden II

 
aapje,
 
toen ik vanmorgen wakker werd lag jij nog te slapen.
ik weet niet hoe je het deed, maar je zag eruit
alsof je dacht aan geometrische figuren,
want je lag met je ene been gestrekt
en het andere in driehoek zodat je een vlaggetje vormde.
je armen kartelden horizontaal langs je hoofd.
ik sloop zorgvuldig de kamer uit om ontbijt te maken.
 
je werd altijd bijzonder gelukkig van fruit.
ik vroeg je ooit wat je lievelingsfruit was
en je zei dat je dat een oneerlijke vraag vond
omdat het hebben van lievelingsdingen
bij definitie bevooroordeeld is.
 
soms hield je van de veelzijdigheid van nectarines,
hoe je gulzig de pit uit de vrucht kon bijten
en wedstrijdjes kon houden wie om ter snelst
de laatste gele draadjes van de steen knabbelde.
soms sneed je een ananas in kubieke stukken 
of pelde je bananen alsof het dromen waren. 
 
ik zette rozenthee voor je.
de dampen kringelden richting slaapkamer
want toen ik ermee naar boven kwam 
hadden ze jouw ogen geopend. 
 
je zag er zo doorzichtig uit. 
 
achter jou waaiden de gordijnen op het ritme van de regen. 
de wolken hingen netjes gestreken in de lucht.  
op de vraag wat je voelde zei je vervolgens:
 
weet je wat ik het meeste mis aan kind zijn?
dat ik nog slaappitjes in mijn ogen had.
ze getuigden dat ik een tijd niet bewust had bestaan
en iedere ochtend wreef ik ze naar mijn ooghoeken
alsof ik daardoor weer in werking kon treden.
toen ik de pitjes op mijn vingers zag,
vond ik dat ze op fossielen leken.
 
we zwegen.
we dachten aan versteende verledens
en of iemand ooit onze botten zou vinden.
het kan ook zijn dat we dat niet dachten
want stilte is altijd zo veelzeggend. 
 
er zijn momenten
die zich ongevraagd ergens tussen wringen.
toen wij de ochtend van die eerste dag op bed lagen, 
nadat jij kapot was gegaan en voor we het verder wisten,
nam ik je favoriete boeken van het nachtkastje.
ik legde ze horizontaal aan beide kanten van het bed.
 
zo voelde het om gedachtestreepjes in een zin te zijn,
een onderbreking die los van alles staat. 
 
 
 
 
 
 
 
 

Huiszitten

 
1.
ik ben aan het huiszitten.
ik zorg voor de katten en de planten en
als ik wakker word, strek ik mijn benen omhoog.
daarna leg ik de lakens open zodat het bed kan verluchten.
ik hou meer van mijn benen als ik ze omhoog strek,
dus ik blijf tien minuten liggen om ernaar te kijken.
er kloppen regendruppels op het raam; die klinken het mooist in de zomer. 
mensen zouden veel gelukkiger zijn als ze wat vaker
met hun benen in de lucht naar de regen luisterden.
 
2.
Pax heeft een krulstaart. 
ik heb haar gisteren een hij genoemd.
ik heb me al vijf keer verontschuldigd
en vanochtend leek ze me te hebben vergeven
want ze kroop in de holte van mijn schoot 
terwijl ik frambozen aan het eten was. 
ik heb haar voor de zekerheid verteld
dat ik ook overtuigd feministisch ben
en ze miauwde en spinde instemmend.
we hebben samen naar Orphan Black gekeken.
 
3.
er liggen Marseille-zeepjes op de tafel.
ik hou oneindig veel van blokken zeep 
omdat je ze tegen je neus kan duwen
en de geur dan tot in je hersenen kringelt. 
douchegels zijn gemaakt voor doelmatigheid;
ze vragen weinig inspanning en hoeven geen bakje.
maar er is iets kalmerends aan een washandje inzepen
omdat je moet wachten tot het stuk Marseille schuimt 
en de hele badkamer naar passievrucht ruikt.
dat wil ik nooit vergeten.
 
4.
ik moet bananen en champignons gaan kopen. 
het lijkt een beetje op vakantie want ik zoek de weg.
in de langste straat rijdt een bebaarde man het gras af; 
hij doet het in een ovalen patroon rond een vrouwbeeld. 
de postbode draagt een polo en een H&M-bermuda.
ik ben verward want ik dacht dat postbodes een uniform hadden
maar ik kan me geen andere herinneren dus ik weet het nog steeds niet. 
in de winkel wacht ik tot de buurt me ontmaskert als vreemdeling.
het gebeurt niet. 
 
5.
het zoemen van vliegen klinkt anders 
wanneer ze zich in een holle ruimte bevinden. 
ik drink thee en maak twee staartjes terwijl de wasmachine draait.
ik ben nog nooit zo geslaagd geweest in volwassen zijn. 

 

 
 

Herinrichting

 
1.
ik heb mijn bureau voor het raam gezet. 
ik kan nu nog beter naar buiten staren en nietsdoen.
het zesde verdiep kijkt uit over de parking van de Aldi. 
als mensen inkopen doen, maken de karretjes lawaai. 
het zorgt voor een vreemdsoortige rustgevendheid. 
 
2.
ik heb een zetel gevonden in de weggeefhoek. 
hij kon alleen in de lift als ik erop ging zitten. 
in het midden zakt hij in; je moet er een beetje over wrijven. 
ik heb nog nooit een zetel ontmoet die zo goed bij me past.
 
3.
er ligt een grote zachte bruine beer op het bed.
die kreeg ik toen ik voor het eerst ging babysitten.
ik was veertien en het gezin ruimde de zolder op.
nu droom ik van grizzly's als ik verdrietig ben.
 
4.
het is eindeloos intrigerend om naar regendruppels te kijken
wanneer ze nog niet op de grond zijn gevallen. 
dat is het voordeel van een kamer op het zesde verdiep.
toen de weerman mist voorspelde na een winterstorm,
leek het alsof ik in de wolken woonde. 
 
 

Het zou een boek kunnen worden

 
en zo ging ik dan kapot, zei je.
 
de lavendelstruik achter ons ritselde.
ik moest denken aan hoe de wind ooit stormde
en jij met je jas open gilde dat je een zeearend was.
geen gewone, had je geroepen, de grootste van Europa.
je nam mijn hand en we dansten door het onweer
alsof dat was wat we deden. 
 
kapot. 
 
je keek me aan met het soort bruine ogen
die verwachtten dat ik een antwoord had.
ik wilde je alleen maar opvouwen
en als een pakketje in mijn armen nemen.
 
de enige waarheid is
dat ik nog nooit iemand gekend heb
die op zo'n mooie manier kapot is gegaan.
oh aapje, het was bijna iets om jaloers op te worden.
de zon straalde voorzichtig door jouw barsten. 
je verbleekte, jij en alle stukken waaruit je bestond.
je was beschaamd en ik hield nog meer van je.
 
ik zag de kreuken in je voorhoofd
en vroeg me af hoe lang je al bezorgd was.
fronsen ontstaan niet van de ene op de andere dag.
had ik de plooien glad kunnen strijken 
voor ze zich eeuwig in je huid tekenden?
 
en toch stond broosheid jou wonderschoon.
  
weet je nog hoe we 's nachts
rillend een rivier in sprongen? 
ik voelde er eigenlijk niet veel voor, 
maar jij was zo aandoenlijk onbezonnen
dat ik niet anders kon dan je achterna rennen, bloot,
mijn badpak achterlatend als een vergeten accessoire. 
onze lichamen braken het maanlicht dat op het water
een heldere streep achterliet.
 
wist je dat ze daar in het Zweeds een woord voor hebben? mångata.
ik kwam het tegen toen ik op pinterest inspiratie zocht om gedichten te schrijven.
ik wou dat ik het zelf had uitgevonden, zoals "ijsbergsla" of "ochtendnevel".
 
je huilde 
 
omdat de schoonheid van dat woord niet genoeg was.
de zenuwen brulden door je lijf en je beet op je nagels.
aapje, er was niemand die beter op haar nagels kon bijten dan jij. 
je deed het zorgvuldig, met kleine hapjes en in een boogje,
zodat de mensen dachten dat je een schaartje had gebruikt. 
hoeveel keer wilde je eigenlijk die witte randen verscheuren?
 
je hebt me nooit in vertrouwen genomen
wanneer de dijken achter jouw ogen braken
en je zei dat het een kattenallergie was.
 
de dag dat we elkaar leerden kennen
droeg je regenlaarzen, een jeans van je broer,
donkergroene oorwarmers en een baksteenrode trui.
ik wist niet eens dat dat een kleur was, baksteenrood,
tot jij besloot dat we er zeker van moesten zijn
en we het verhaal van een schilder vonden
die alle bestaande kleuren op een doek
naast elkaar had gestreept. 
 
je rilde.
 
ik vouwde mijn lichaam als een bolster rond het jouwe.
voorlopig was dat het enige wat ik kon bedenken.
je sliep en ik wou dat ik wist hoe het voelde
om bang te zijn van de wereld 
terwijl je er radslagen op turnde. 
 
 
 
 

Op bestelling

 
wat voorafging:
we hebben met ons collectief een poëziefestival georganiseerd
en we hadden een tent waar mensen zoals fastfood
gedichten op bestelling konden plaatsen en ik deed de avondshift
en toen kwam Maud Vanhauwaert omdat zij daar ook was
en ze vroeg iets over cheddar, wind en rabarber
en ik probeerde heel casual te doen
alsof ik wist wat dat was
en ik kroop in de grond
en begon daar dan maar te schrijven
en ik doorstreepte en ik liep er een rondje
en toen penden de anderen iets neer
omdat de tent al daverde van mijn trillingen
en ik liep nog een rondje
en ik ging omgekeerd op een stoel zitten
en schreef verder en dan was mijn gedicht klaar
en plaste ik ongeveer in mijn broek
en durfde ik het daarom eigenlijk niet afgeven
maar toen moest ik wel omdat niemand anders het deed
en dus kon ik bijna mijn mond niet opentrekken
en zei of fluisterde ik alleen maar ja
toen ze vroeg of ik dan Kristien Spooren was
(mijn naam stond eronder dus er is geen andere reden).
 
 
het gedicht in kwestie:
er zijn mensen die gesmolten kaas
het mooiste symbool voor tijdelijkheid vinden.
een kind naast een boodschappenkar
trapt tegen een blokje cheddar
alsof het een kiezelsteentje is.
een vrouw drie meter verder wandelt het kapot
tot twee oranje vlekken die zoals oude liefdes
aan de zolen van haar schoenen blijven kleven.
dat het leven verder gaat, zei iemand
toen ze de tijd naar buiten wilde jagen.
op de kassaband rollen de producten even automatisch verder.
200 gram rabarbermoes schuift van een wankele stapel avocado's
en valt tegen het beurtbalkje van de man voor haar.
het spijt me, zegt ze want de ruimte van haar sociale angst
duwt minstens even hard tegen het latje.
er is te weinig lucht om van te ademen.
buiten op de parking vergeet ook de zomer dat er wind moet zijn.
de vrouw slentert in stukken naar haar plooifiets.
de kaas onder haar schoen heeft niets meer te zeggen.
 
 
 
 
Back to Top