Uit: een brief

 
in de badkuip herinnerde ik me hoe warme baden vroeger waren.
hoe ik op mijn buik ging liggen en dacht dat ik een nijlpaard was,
en dat als ik mijn lichaam helemaal onder water bracht, 
ik alleen nog maar uit ogen en een voorhoofd bestond.
als niemand je ziet, besta je dan nog?
hoe magisch een lege zeepfles op de bodem kon bubbelen.
hoe oude huidschilfers op het water bleven drijven
alsof je een nieuwe start mocht maken.
 
(uit: een brief, februari 2018)

Dingen die ik meemaakte

 
ik heb een rups gered.
ik heb ‘m van de straat geplukt
en in mijn handpalm gelegd, tussen de nerven.
zijn lijfje kronkelde zoals hoe ik vannacht in bed lag.
misschien was het stuiptrekken.
hoe moet je pijn hebben als je niet kan schreeuwen?
 
er was iets aan het kloppen in het dikste deel van zijn lichaam.
een hartslag, denk ik, te klein om met mensenhanden te masseren.
aan zijn kopje hing een klodder aarde, precies vooraan,
waardoor het leek alsof hij een heel groot oog had.
ik dacht aan een cycloop.
 
ik dacht ook dat hij aan het sterven was.
 
toen ik klein was, verzorgde ik een rups in de vissenkom van mijn oma.
op een ochtend was de bak leeg en ze heeft nooit gezegd
of hij in een vlinder veranderde of doodging.
 
ik ben wel vaker dingen verloren.
gisteren was ik mijn moeder kwijt.
ze raakte zoek in de Ikea op weg naar de kleerkasten.
ik ging naar de infobalie en de man vroeg hoe oud ik was,
en hoe ze eruit zag.
tien minuten geleden was ze een beetje groter dan ik.
ze droeg een zwarte jas, heeft kort, donkerbruin haar
en gestreepte zorgen op haar voorhoofd.
 
op wikipedia lees ik dat rupsen
de snelst groeiende organismen uit het dierenrijk zijn.
is veranderen voor hen dan zo gemakkelijk 
of sta ik er te veel bij stil? 
 
 
 
 

Een huis met veren

 
ik zit in de wachtkamer van de hulpverlener.
de zetel is zacht, van stof, gebroken wit.
ik schud mijn rugzak uit om een verloren bankkaart te vinden,
maar het enige wat valt zijn kruimels.
ze blijven liggen, ze kleven verscheurd op de grond.
ik denk aan de kruimels van de verhalen die ik straks zal brengen,
hoe versnipperd ik me soms voel.
aan een tafel staan witte stoelen, witter dan de zetel.
op de plaats waar vroeger een tweede zetel stond,
blaast nu een grijs verwarmingstoestel.
 
het is winter.
 
buiten vroor mijn huid kapot.
 
in de hoek van de gebroken zetel ligt een kussen met een vogel erop.
een roodborstje, denk ik, maar nu ik beter kijk heeft hij alleen een rode buik.
en ik twijfel, zoals ik zo vaak twijfel voordat ik iets zeker weet.
“per via aerea” staat onderaan, alsof het een Latijnse naam is.
ik schrijf op dat ik wil vragen of het een betekenis heeft,
een vogelsoort in de wachtkamer.
 
hoe gaat het met je, vraagt zij.
 
en ik weet niet wat ik moet zeggen.
 
kan je aan vogels zoals aan mensen zien waar de borst eindigt en de buik begint?
 
mijn buik begint tussen mijn ribben.
als ik zenuwachtig ben, kruis ik mijn armen om mijn middel
om er zeker van te zijn dat ik besta.
ik druk in mijn huid en wou dat mijn lichaam van plasticine was,
en dat als ik maar hard genoeg zou kneden, ik het kon vormen zoals ik dat wilde.
 
het gaat goed, denk ik. ik weet het niet.
 
als mensen vragen hoe het met me gaat, krijg ik daar altijd zoveel stress van.
dan heb ik het gevoel dat ik een samenvatting moet geven en weet ik niet of ik moet beginnen
met wat wel gaat of wat niet of wat een beetje en dus maar alles door elkaar vertel
en de persoon die gevraagd had hoe het ging niet weet of hij of zij nu moet besluiten
of het dan wel of niet goed met me gaat
en als ik dan uiteindelijk zeg dat het zo of zo gaat
vergeet ik soms iets of voel ik een seconde later al iets anders
en heb ik spijt dat ik niet verteld heb dat het toch ook zo gaat
en wil ik dat ik de vraag opnieuw mag beantwoorden
omdat ik me niet onbegrepen wil voelen
door de persoon die gevraagd had hoe met me ging.
 
gelukkig is zij daar beter in.
 
je hoeft nog niet te vliegen, zegt ze.
we fladderen en springen van hak naar tak om in beweging te blijven.
misschien is het wel zo, dat vogelvlucht maar saai
en kronkelen een rijkere manier van leven is.
ze neemt een blad, slaat het om, noteert de datum van vandaag in de linkerbovenhoek
(dat denk ik, maar ik ben er niet zeker van, want ze kruist haar benen
en schrijft op haar bovenste knie, een beetje schuin,
waardoor ik niet kan zien wat ze precies aan het schrijven is.
maar dat vind ik niet erg, want ik vertrouw haar en ik voel me veilig.)
 
ik herinner me dat ik verhuisd ben, hoe ik dat kon vergeten.
ik zeg het en ik denk dat mijn ogen stralen, ik voel het.
we spreken af dat ik er een nest van maak,
en dat ik een mooie eettafel zoek om stappen op te zetten,
dan lijkt het een beetje op dansen.
 
op de terugweg begin ik vanzelf te fluiten.
 
 
 
 
 

Zetel / huis / nest

 
ik wil mijn huis niet besmeuren
met de kruimels van een eetstoornis.
ik wil mijn dromen niet meer invriezen,
geen muren bouwen in de woonkamer,
de geur van honger niet meer ruiken.
 
ik wil mijn letters op de koelkast schilderen.
ik wil de dampkap horen sissen.
ik wil broden bakken die je in hompen breekt
en groenten koken, gekrulde groenten, uitgeholde.
ik wil zelf niet meer uitgehold zijn.
 
ik wil mijn handen gebruiken om mijn lichaam te omarmen,
mijn voeten om stappen te zetten.
ik wil leren dansen op grijze sokken
zodat de moed me niet in de schoenen zinkt.
 
ik wil mijn huid als een deken rond mijn botten wikkelen.
 
dit is mijn lichaam.
dit zijn mijn ogen waarmee ik naar de wereld kijk.
als je lang genoeg wacht, zie je mijn pupillen van kleur veranderen.
dit zijn mijn enkels die ik naar me toe kan trekken.
dit zijn de toppen van mijn tenen.
ze raken de grond als ik op mijn fiets aan een rood licht sta.
 
dit is mijn buik die ademt op het ritme van mijn vader.
 
dit is mijn lijf dat nog weet
hoe vreemde handen er een plattegrond op tekenden.
ik wil mijn lichaam dichtritsen zodat niemand er nog aan kan.
 
dit is mijn pijn. blijf eraf.
 
ik wil mijn hartslag niet om hulp horen schreeuwen.
 
ik wil een bed dat zo hoog is
dat ik eronder kan kruipen als ik bang ben.
ik wil een zetel om mijn vrienden in te leggen.
 
dit zijn mijn vrienden.
 
ik wil een nest gemaakt van warme woorden,
van kastanjebladeren, van wintereiken.
ik wil een huis om te beloven:
ik zal altijd pompoensoep voor je maken.



 
 

Het sneeuwt

 
het sneeuwt.
een winterkoninkje trippelt over een dunne tak,
glijdt uit, wappert langs links en langs rechts,
vindt een evenwicht, ademt.
als hij fluit,
gaat de onderkant van zijn snavel op en neer
en trilt zijn buik ritmisch mee.
de sneeuw legt een witte kroon op zijn kopje.
 
het sneeuwt.
de kale takken van een appelboom lijken op grote klauwen.
ze grijpen de lucht met gekrulde vingers
alsof ze krampachtig bevroren zijn.
ze buigen niet.
de kleur van de winter is onveranderlijk.
 
het sneeuwt.
op de televisie fladdert de wind over de golven van de zee.
de weerman zegt dat alles gevaarlijk is
en ik vraag me af hoe alles eruit ziet.
gisteren hoorde ik op het nieuws
dat er een egel is doodgevroren
terwijl hij aan het slaapwandelen was.
 
het sneeuwt.
alles is wit.
ik heb nog nooit zoveel soorten wit bij elkaar gezien.
er is een struik waarvan de twijgen te dun zijn
om de sneeuwvlokken te dragen.
hun gele bladeren hangen trots naar beneden.
 
het sneeuwt.
de neus van een sneeuwman
is een fel oranje boei in het verdronken landschap.
er hangt een ijspegel aan; het lijkt of hij een verkoudheid heeft.
mensen worden meestal ziek als er geen warmte is.
 
het sneeuwt.
mijn buurvrouw brak ooit haar heup
toen ze op het voetpad schaatste.
ze kreeg een prothese en zei dat het haar geheime wapen was.
elke ochtend wankelde ze naar de voordeur
om een buiging voor de postbode te maken.
ik wil me niet voorstellen hoe het voelt
om uit plastiek te bestaan.
 
 
 
 



In Schotland

 
toen ik in de paasvakantie alleen op reis ging en aankwam in Schotland,
wandelde ik door het grootste treinstation van Glasgow.
midden in de centrale hal stond een grote, houten balk
met aan vier kanten dezelfde analoge klok.
als de secondenaald de twaalf raakte,
versprong de lange wijzer een minuut,
alsof het leven altijd op hetzelfde ritme wegtikt.
aan de voet liepen de mensen de tijd voorbij.
 
veertig minuten van Glasgow lag Hamilton park.
ik zag er een eekhoorn, schapen, bruine runderen
en een oude vrouw met blauwe oogschaduw
die dansjes deed omdat ze nog nooit een toerist had ontmoet.
rond de middag klom ik in een eikenboom met dikke knoesten
om rozijnenboterhammen te eten en er was niemand die zag
hoe gelukkig ik was.
 
de volgende dag zat ik op de bus naar Loch Lomond,
een meer dat geboren was tussen de vlaktes en de hooglanden
waardoor niemand echt zeker wist waar het thuis hoorde.
ik had horen zeggen dat de avonden hier het mooist waren.
het water rimpelde op het oppervlak en weerspiegelde de zon
die langzaam verdween, alsof ze in de verte werd ingeslikt.
 
onderweg naar het meer passeerde de bus langs Levendale,
een dorp dat zo hard heuvelde dat het leek of we in een achtbaan zaten.
onder de bibliotheek was een autoparking.
er stond een bord van de gemeente
met een schuifbalk en twee vakjes, vrij en vol.
het was nog niet digitaal en ik vroeg me af of er dan iemand was
die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het balkje te verschuiven.
 
op maandag haastte een man zich naar het werk.
hij droeg een zwart kostuum, een grijze stropdas, geklede schoenen
en een hoed die aan de rechterkant een beetje deukte
omdat hij tegen het raam in slaap gevallen was.
terwijl hij bedrukt door de straten beende,
dronk hij geen koffie, maar caprisone met een rietje.
 
in Dundee dronk ik thee met een vrouw uit Japan.
op straat vond ik een stuk van zes centiemen.
dat hebben de Schotten ooit uitgevonden om kleine meisjes geluk te wensen.
je kreeg dan zo’n munt met het geboortejaar van je moeder op.
het is lang geleden dat ze mijn talisman werd.
 
de tweede week stapte ik het begin van de West Highland Way.
dat is een hele lange weg die start in Milngavie,
een stadje dat op een sprookje lijkt omdat er nog lantaarnpalen zijn
en de mensen zich schuifelend van de ene naar de andere plaats bewegen.
toen ik op de terugweg een stuk van de kaart wilde snijden,
klom ik door een modderpoel over een hek met horizontale stangen.
het was stil in het landschap.
vanachter een heuvel naderde een kudde wilde hooglanders.
ze kwamen loeiend dichterbij, tot een van hen het geluid
van mijn hartslag hoorde en we elkaar voorzichtig in de ogen keken.
er had nog nooit een koe aan mijn voeten gegrazen.
 
op het einde van de reis hielp ik zwangere schapen bevallen.
een tweeling stierf, een lam lag weerloos op een heuveltop.
het was koud die nacht.
de zon viel neer, de lucht kleurde marineblauw met witte sterren.
in mijn armen klonk het oorverdovend gemis
van een jong verstoten door zijn moeder.
het rilde, bijna in morsecode,
alsof het alleen maar kon zeggen:
sommige dingen gaan niet goed.
zomaar, zonder dat je er iets uit kan leren.
 
 
 
 
 
Back to Top