Dit is een lijst met mooie dingen

 
1. de geur van verse potloodschilfers;
2. de anatomie van een appelsienpartje;
3. de niet gesmolten chocola op de bodem van warme chocolademelk (dit is de reden waarom ik de mijne nooit oproer);
4. het schreeuwen van mensen die aan de rand van een meer staan, omgeven door naaldbomen;
5. de zacht- en hardheid van bijna gebakken koekjes;
6. een snotvalling en rode kaken in de winter;
7. boterbloemen op zomerhuiden;
8. de enorme verscheidenheid aan kleuren groen van bomen in de verte;
9. binnengeregende druppels op vensterbanken; 
10. de geur van schaafsel wanneer je hout zaagt; 
11. thee uit een gamel op de oever van een wilde rivier;
12. het knarsen van harde peren als je erin bijt;
13. grootmoeders en havermout;
14. het kabbelen van stromend water in de bergen;
15. de veranderlijkheid van zonsopgangen;
16. nieuwe voetstappen in verse, dikke sneeuw;
17. ochtendmist over lavendel- en klaproosvelden; 
18. de zacht- en hardheid van een getoaste boterham, en hoe boter smelt; 
19. oude bomen die op mensen lijken;
20. oude mensen die op bomen lijken;
21. kleine zwarte letters op een witte achtergrond;
22. diepe, zware snikken die heel je lichaam doen daveren en alles erachter schoonspoelen;
23. de nietigheid van zwemmen in een oceaan;
24. het escapisme in films met wilde mustangpaarden;
25. grote, stoffen zakdoeken;
26. het zien opbranden van lucifers.
 
 
 
 

Dampen

 
er is dat moment waarop je gesmolten chocolade giet
over iets wat net uit de diepvries komt.
de dampen die zich dan mengen, tegelijk koud en warm
maar niet van elkaar te onderscheiden;
dat is heel bijzonder.

De tijd

 
het gaat te snel; de tijd en opgroeien en groter worden en al.
gisteren nog wilde ik in de supermarkt
met mijn boodschappenkar door de gangen koersen
en roepen dat de grond water was
zodat alle klanten en rekkenvullers
op het fruit in de kar zouden springen
en ik iedereen van een gewisse dood had gered.
ik deed dat maar niet.
 
maar hij was er, de drang; hij was er.

Stil

 
het is stil.
 
nee, dat is het niet.
het is een feestdag en een man op de parking klikt de deur van zijn auto dicht.
er groeien dauwdruppels op pruimen die net uit de koelkast komen.
de wind hangt ergens geluidloos in de lucht.
beneden in het bos gaat een wilde hyacint dood.
er zijn mensen die luider ademhalen dan het zoemen van honingbijen.
ik smeet zonet mijn gedachten tegen de muur.
 
en toch is het oorverdovend stil.
 

Vervlogen

 
1.
je spat van het scherm en nu lig je hier,
in spetters op mijn blauwe vloer
en ik weet niet eens of ik je bijeen wil vegen.
 
2.
de maan lijkt op een partje mandarijn vannacht.
 
3.
ooit droomde ik dat het winter in de zomer werd
en we sneeuwmannen naast zandkastelen bouwden.
ik sloot mijn leerkracht aardrijkskunde op in de kerkers
toen ze een hele les volhield dat dat onmogelijk was.
 
4.
ik denk dat de Mount Everest niet weet 
dat hij de hoogste berg ter wereld is
en dat het verwarrend te begrijpen wordt
waarom de mensen een vlag op je planten
alsof je plots van iemand anders bent. 
 
 
 
 
  
 
 

Het zou een boek kunnen worden II

 
aapje,
 
toen ik vanmorgen wakker werd lag jij nog te slapen.
ik weet niet hoe je het deed, maar je zag eruit
alsof je dacht aan geometrische figuren,
want je lag met je ene been gestrekt
en het andere in driehoek zodat je een vlaggetje vormde.
je armen kartelden horizontaal langs je hoofd.
ik sloop zorgvuldig de kamer uit om ontbijt te maken.
 
je werd altijd bijzonder gelukkig van fruit.
ik vroeg je ooit wat je lievelingsfruit was
en je zei dat je dat een oneerlijke vraag vond
omdat het hebben van lievelingsdingen
bij definitie bevooroordeeld is.
 
soms hield je van de veelzijdigheid van nectarines,
hoe je gulzig de pit uit de vrucht kon bijten
en wedstrijdjes kon houden wie om ter snelst
de laatste gele draadjes van de steen knabbelde.
soms sneed je een ananas in kubieke stukken 
of pelde je bananen alsof het dromen waren. 
 
ik zette rozenthee voor je.
de dampen kringelden richting slaapkamer
want toen ik ermee naar boven kwam 
hadden ze jouw ogen geopend. 
 
je zag er zo doorzichtig uit. 
 
achter jou waaiden de gordijnen op het ritme van de regen. 
de wolken hingen netjes gestreken in de lucht.  
op de vraag wat je voelde zei je vervolgens:
 
weet je wat ik het meeste mis aan kind zijn?
dat ik nog slaappitjes in mijn ogen had.
ze getuigden dat ik een tijd niet bewust had bestaan
en iedere ochtend wreef ik ze naar mijn ooghoeken
alsof ik daardoor weer in werking kon treden.
toen ik de pitjes op mijn vingers zag,
vond ik dat ze op fossielen leken.
 
we zwegen.
we dachten aan versteende verledens
en of iemand ooit onze botten zou vinden.
het kan ook zijn dat we dat niet dachten
want stilte is altijd zo veelzeggend. 
 
er zijn momenten
die zich ongevraagd ergens tussen wringen.
toen wij de ochtend van die eerste dag op bed lagen, 
nadat jij kapot was gegaan en voor we het verder wisten,
nam ik je favoriete boeken van het nachtkastje.
ik legde ze horizontaal aan beide kanten van het bed.
 
zo voelde het om gedachtestreepjes in een zin te zijn,
een onderbreking die los van alles staat. 
 
 
 
 
 
 
 
 
Back to Top