Ik wil een huis

 
ik wil een huis in een bos met een boomhut en een loopbrug daarnaartoe
en een schoorsteen en bakstenen waar je briefjes tussen kan steken
en versgebakken brood en een slaapplaats met een cirkelvormig raam
om naar de maan te kijken (die vind ik mooier dan de sterren omdat ze vlekken heeft)
en een bedsprei en een oude waterpomp en blauwe bloemen op de vensterbank
en een buitentoilet waar de wind tussen je billen waait
en hoge grassen en een schilderschuur en gekreukte takken
en een meer om ‘s avonds in te zwemmen
en dat we dan handdoeken zijn vergeten
en drogen in de zon en jij mijn schouders masseert
en zegt dat er groentensoep op het vuur staat. 

Praten

 
praten over pijn is zoveel makkelijker
wanneer de ander aan de dag legt 
wat jij niet richting lippen kreeg, 
onverlicht de uitweg zoekend,
toen je op je woorden kauwde
en delen inslikte van een 
wansmakelijk verhaal.

Wolkenkrabber 3 (Dialooggedicht met John Brains)

 
we hebben geen woorden voor wat wolken doen.
ze hangen, zeggen we, alsof we wachten
tot iemand de draden doormidden knipt
en ze naar beneden vallen
als ongeschoren schapen,
 
verwond door megalomaan krabbende gebouwen
die ook de kleine mensen overschaduwen.
 
dus staan we als buienradars met onze armen open
om ze voorzichtig op te vangen,
omdat we bang zijn dat ze breken 
in kleine stukken waterdamp
en zullen huilen zoals wij dat doen. 
 

Telefoongesprek

 
een bijna onthoofde mot is nu helemaal dood.
hoe heb je het gedaan? vraag ik.
we waren sinds de dag ervoor in dubio
omdat het beestje het al te lang volhield.
ze had, in een onbaatzuchtige poging 
het insect naar buiten te brengen, 
een blikje op zijn nek gezet.
het borststuk zoemde als ze het potje optilde.
de volgende ochtend leefde het nog,
grillend in de voormiddagzon.
ik heb er een beetje op geduwd, zegt ze.
 
vlinders sterven altijd in stukjes
(en soms leven ze ook zo).
 
ik zie mezelf weerspiegeld in het raam
omdat het nacht is en mijn lamp brandt.
ik lijk in de verte op een toneelstuk,
hoe dat ook mag aanvoelen.
ik zou willen dat ik mijn eigen rol speelde,
maar ik ken de tekst niet meer.
 
de fruitvliegen hebben ook niets te zeggen.
ik vries bananen in om er ijs van te maken.
mijn handen plakken; ze proeven naar kalium. 
de vloer ligt bezaaid met brokstukken van
kapot geblokte samenvattingen.
er is nog zo veel op te ruimen.
ik ben met honderd dingen tegelijk bezig 
en ik weet niet waarom. 
 
op de grond ligt een leeg rucolazakje. 
mijn ventilator blaast het tegen de stoel
en het maakt het geluid van wapperende vleugels.
ik schrik; de stoelpoot deinst ook achteruit.
we moeten echt gaan slapen.
 
mijn telefoon voelt warm aan mijn oor.
we zijn al anderhalf uur aan het bellen.
ze zegt dat ze in bed ligt
en dat haar raam op kiep staat.
het is lang geleden dat ik iemand 
het woord kiep heb horen gebruiken.
ik weet zelfs niet of het standaardtaal is. 
het klinkt zo mooi dat ik ga vragen
of ze het morgen nog eens wilt zeggen.
 
ik vind het leuk om aan morgen te denken.
dat lijkt een beetje op dromen
omdat je nog niet weet wat er komt
en alles altijd mogelijk is.
ik doe mijn licht uit.
welterusten.
 
 
 
 

Gurfa 4 (dialooggedicht met Tom Driesen)

 
ze zeggen dat je vanaf je vijfendertigste
elke dag een stukje kleiner wordt.
gelukkig gaat dat traag en krimpen de andere mensen mee.
het is een vreemde gedachte dat alle volwassenen
voortdurend aan het verzakken zijn.
ik vroeg me wel eens af
waar al die stukjes mens naartoe gingen. 
 
bij haar ging het sneller.
als je lang genoeg keek, kon je haar rimpels zien groeien.
de tijd tekende zich gekreukt in haar huid
en sprong herhaaldelijk op haar schouders.
ze droeg sindsdien nog enkel pantoffels,
naar eigen zeggen om beter te kunnen schuifelen. 
 
het deed haar niet zo veel,
tot ze op een dag in de spiegel keek
en haar navel niet meer kon zien.
ze was diep bedroefd,
want ze vond navels de mooiste lichaamsdelen
omdat die, hoe verlaten ook, het middelpunt waren.
ze had haar moederkoek al lang begraven. 
 
onderweg naar de wastafel dacht ze na over het leven.
ze hield zich vast aan de badkuip
en wilde zo graag een wijsheid bedenken
dat ze naar het afvoerputje keek.
hoe het daar lag, zich verontschuldigend,
voor die keren dat zomerliefdes
niet ingemasseerd konden worden
en ze zelf ook door haar vingers glipte. 
haar handen wrongen de druppels uit.
het water in het bad liep weg
- het kon zich niet binden.
 
het duurde acht minuten 
om op de trapleuning naar beneden te glijden.
de ballustrade was een symmetrieas 
tussen de helften van haar lichaam,
een vrouw gespiegeld op zichzelf,
evenwijdig aan de binnenmuur.
 
ze was altijd twee
gesprekspartners geweest.
 
de aders op haar ledematen
vormden bergketens tussen de groeven.
ze had geen hoogtestormen nodig
om te kunnen regenen.
 
 
 
 

Kapper

 
1. (kapper)
het is de allerlaatste dag dat ik eruit zie zoals ik dat doe.
de gedachte houdt me een hele nacht bezig.
alsof ik straks foto’s zal tegenkomen
en niet zal zeggen: hier, dit ben ik
(omdat ik mezelf niet herken). 
alles went, zeggen ze.
misschien vergeet ik later wie ik nu was.
er kruipt een hommel over mijn fruitmand.
dat ik dat toch wil onthouden.
 
2. (nacht I)
ik ben blij dat ik de lucht zie ontwaken.
de maan lijkt te hard ingekleurd;
ze is een dunne sikkel in het pastellandschap.
een vogel maakt rechtsomkeert terwijl hij vliegt.
ik schaam me omdat ik getuige ben van zijn gedachtekronkels.
ik overweeg in ruil ook iets te vertellen.
 
3. (nacht II)
gisteren wist ik niet welke yoghurt ik het lekkerst vond.
ik probeerde me de concurrerende smaken (limoen en granaatappel)
in te beelden en er was zo veel voor beide te zeggen
dat ik uiteindelijk de natuurvariant kocht.
ik denk dat ik daar spijt van heb.
 
4. (nacht III)
ik wil op zoek naar een boom om in te kruipen,
een oude dikke met takken en bejaarde knoesten,
en wortels waar ik die zelf nog niet heb.
ik heb de illusie dat dat inspirerend is
en dat ik dan wondere ideeën krijg.
het zou wel eens kunnen,
want ik hou heel erg van bomen.
de lucht is zo blauw dat ik er moe van word.
 
 
 
Back to Top