Er ligt een vrouw op de trein

 
er ligt een vrouw op de trein.
technisch gezien ligt ze niet óp de trein,
want dan zou ze op het dak liggen, maar erin.
niet voorovergebogen en niet in het gangpad.
ze ligt op zetels, een vierzit. niet op vier zetels, op twee.
ze ligt met haar hoofd op de armsteun en haar benen
opgevouwen tegen het raam omdat ze groot is,
ik kan niet precies zeggen hoe groot.
ze ziet er een beetje verfrommeld uit.
ik zou haar willen zeggen dat ik het andersom zou doen,
want dat een raam voor een mensenhoofd comfortabeler lijkt
dan een armsteun, maar ik doe het niet.
 
tegenover haar zit een man. hij zoent haar op de lippen,
dus ik neem aan dat het haar vriend is, of haar echtgenoot.
ik hoop het, want technisch gezien zou het niet mogen dat een man
een vrouw zoent zonder dat hij een liefdevolle relatie met haar heeft.
hij draagt een hemd waarvan de bovenste knopen open staan
en de onderste met alle moeite de stof over zijn buik bij elkaar houden.
ik ben bang dat hij over de vrouw valt als de trein remt.
ik zeg het niet.
 
op de grond kleeft het stickertje van een appel.
hij komt uit het buitenland, zoals ideeën dat ook zo vaak doen,
op de ruggen van mensen die oorlogen als visitekaartjes uitdelen.
het spijt me, zeg ik. een jongen vraagt waarom
en ik weet het zelf niet. zijn moeder zit twee banken verder.
het is stil in de trein.
 
de jongen tekent cirkels op een gerecycleerd papier.
ik denk aan hoe ik mezelf soms ook wil recycleren,
mijn onderdelen samengeperst tot tweedehandsformaat
en ik dan kon bepalen in welke vorm dat was.  
het kind staart naar buiten. het ziet dingen die volwassenen
verbeelding noemen. kijk, mama! zijn moeder zegt dat dat niet mag,
wijzen. dat dat onbeleefd is. en dat hij moet stoppen met wiebelen.
ik vraag me af waarom. ik begin ook met mijn benen te wiebelen.
ik hoop dat ik zo hard wiebel dat de lucht ervan gaat trillen
en de jongen omkijkt. ik stel me voor dat iedereen het doet,
een hele trein vol wiebelende mensen. maar ik zeg het niet.
 
een vriendin zei dat de stem die de aankomsten afroept
een programma is. niemand weet nog dat ze ooit een lichaam had.
voor mij was ze een verrekijker en een doos bekaasde boterhammen.
hoe om haar heen sudoku’s lagen en vuilgevlekte kranten,
aan de muur een prikkaart waar ze haar dromen op spijkerde.
de lichten van transport in de verte, en zij in een microfoon:
de trein naar Leuven komt zodadelijk aan op spoor drie.
hoe ze zich soms vergiste en verslikte in haar koffie.
 
er waait een papieren zak over het pad.
nu pas merk ik dat het raam open staat.
de conducteur waait ook naar binnen.
ik ben altijd zo blij als ik mijn ticket kan laten zien.
alsof ik daarmee bewijs dat ik het goed doe.
alsof ik überhaupt iets moet bewijzen.
 
er glijden bomen voorbij, hazelaars.
dat zijn bomen die bloeien als ze nog geen bladeren hebben.
de mannelijke bloemen schuilen in katjes en zijn al in de zomer
aanwezig in de oksels van de bladeren. de vrouwelijke bloemen
zitten met drie tot vier stuks in een knopje bij elkaar.
als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
 
de geautomatiseerde stem zegt dat er een man
voor de trein ligt, in meeneemverpakking.
de mensen stoppen met wiebelen, ze vinden dat dat niet hoort.
het is nog stiller in de trein. ik ben bang dat het zo stil wordt
dat niemand straks nog weet hoe praten moet.
ik vraag me af of we dat nu wel weten, en of de man het wist.
de mensen denken aan zijn vrouw. ik aan de man.
hoe het leven voor hem op kaas met gaatjes leek
en hij eigenlijk voor, onder en naast de trein ligt.
wij hebben maar vijftien minuten vertraging.
 
 

Het is nog maar een werkvertaling

 
het gaat niet goed met het gezin.
 
ik laat het water stromen op het lichaam
dat ik zo lang niet heb willen kennen,
duw de laatste rest macadamiamelk
uit de fles die zij me ooit gegeven heeft,
kijk hoe de witte zeep op mijn handen glijdt, bezonken,
een bijna doorzichtig idee van te lang niet gebruikt.
er stromen tranen over mijn gezicht
omdat ik me de geur van familie herinner.
 
er zijn mensen die zeggen
dat je gewoon moet stoppen met voelen.
 
ik wikkel mijn lichaam in lagen van schuim,
ga zitten, denk aan alles wat we deelden en hoe ik nu
het gevoel heb dat ik een rekensom moet maken.
ik wilde nochtans uitleggen dat ik gelukkig ben.
of iemand me ooit al gezegd heeft
hoe mooi mijn ogen zijn als ik vertel.
ze stralen, stuurde ze
en dat ik harmonieus ben, zoals Gent
en de leien en wandelingen laat op de avond
als je samen de tram hebt gemist.
ik straal alleen in het juiste gezelschap.
 
moeders zijn mede mogelijk gemaakt door peperkoek.
hoe ze altijd sneetjes zonder parelsuiker wou
en wij die eraf plukten en een pot gewone thee zetten,
een afgestreken lepeltje citroen en twee zoetjes
terwijl ze haar pyjama aandeed.
 
het warme water doet de vlekken op mijn dijen
nog meer op giraffen lijken. ik masseer mijn
natte haren die straks naar honing zullen ruiken,
nog twee minuten. ik ben de enige die blond is.
de stralen storten genadeloos neer.
ze maken het geluid van watervallen
en spoelen goedbedoelde raden van me af.
 
het is opmerkelijk hoe mensen
soms niet meer in de tijd geloven.
 
iedere lente werkten we in de tuin en
iedere lente vroeg ik haar iets over floxen
omdat ze dan zei dat dat de lievelingsbloemen
van oma waren en ze een beetje durfde verwelken.
we wiedden onkruid alsof het vaders waren,
keken of ik al in bloei stond en hoe ik later
alleen nog in de diepte groeide.
 
ik wrijf mijn hoofdhuid in cirkelredeneringen.
terwijl ik denk aan die keren dat hij afwaste,
zal zij opstaan, haar perfecte rol aantrekken,
de dag begroeten en altijd verder gaan.
 
als je naakt je knieën optrekt, je armen om je benen slaat
en heel diep inademt, lijkt het alsof je geknuffeld wordt.
 
ik ben niet goed in breken.
 
 

Mensen vragen hoe het met me gaat

 
mensen vragen hoe het met me gaat.
ik vind dat altijd zo stresserend.
dan krijg ik het gevoel dat ik een samenvatting
moet geven en weet ik niet of ik moet beginnen
met wat wel gaat of wat niet of wat een beetje
 
en dus maar alles door elkaar vertel en de persoon
die gevraagd had hoe het ging niet weet
of hij of zij nu moet besluiten of het dan wel
of niet goed met me gaat.
 
en als ik dan uiteindelijk zeg dat het zo of zo gaat
 
vergeet ik soms iets of voel ik een seconde
later al iets helemaal anders en heb ik spijt dat
ik niet verteld heb dat het toch ook zo gaat
 
en ik wil dat ik de vraag opnieuw
mag beantwoorden
omdat ik me niet onbegrepen wil voelen door
de persoon die gevraagd had hoe het met me ging.
 
maar daar is meestal de tijd niet voor.

Een traan

 
als een traan op een gsm-scherm valt,
blijft ze daar rondborstig liggen.
alsof de letters die je wil typen
niet anders kunnen dan vervormen tot klemtonen
waarvan je nog niet weet waarom ze nodig zijn.
een beetje zoals dingen voelen,
dat wordt ook hoogstens achteraf begrepen.
 

Rommel

 
we moeten het even over de rommel hebben.
er staan kasten in de weg van oude levens
en gedachten die niet meer van ons zijn.
we legden knopen in de veters van onze schoenen
om niet te vergeten dat we onderweg waren.
ik ben onverdeeld het noorden kwijt, zei je.
we liggen al belachelijk lang te bestoffen.

Weerloos

 
ik ga even doen alsof ik het allemaal
wel kan, zei ze. ze strekte haar tenen,
groette de dingen, verdronk haar gedachten
in de koffie van een ander,
viel niet in stukken uiteen
en deed de deur achter zich dicht.
het kostte haar zichtbaar veel moeite.
Back to Top