Hiraeth

 
ze heeft ongeveer niets tegen me gezegd.
alsof zwijgen zoveel beter is
om het barsten van een hart te overstemmen.
boven op mijn kamer denk ik de rest van het huis weg.
ze klopt niet op de deur en bericht dat de producten in de douche
van haar zijn en ik die vooral niet mag gebruiken.
terwijl ik zo instemmend mogelijk haar herhalingen turf,
stapt zij even voorspelbaar weer in haar zeepbel.
ik kijk nog even en werk verder. 
mijn cactus prikt begrijpend.
 

Gurfa 2 (dialooggedicht met Tom Driesen)

 
sommige dingen zijn zo mooi
dat ze altijd door je vingers glippen.
we stonden op blote voeten aan de beek
en schepten water met onze handen
om te voelen dat we leefden.
 
hoe als we blaasden het zachtjes kabbelde,
een klein meer in de vorm van een handpalm,
en we dan dachten dat we de wereld vasthielden.
 
je zei dat ik bijzonder was.
dat je mijn ogen in het water kon zien
omdat de zon ze reflecteerde.
ik lachte rimpels in het oppervlak.
 
later bleken zomers toch vergankelijk,
toen we wilden dat we de centiliters
zoals momenten neer konden leggen. 
hoe ze dan zonder contouren zouden bestaan 
op een vensterbank naast rododendrons,
twee afgietsels regen om samen naar te kijken. 
 
alleen in de winter kan je de tijd bevriezen.  
we leerden onze handen om los te laten.
het water viel langs onze vingers op de grond
en tekende kringen in de aarde. 
 
ik was zo bang dat ik je kwijtraakte.
 
 
(gurfa: Ar., "de hoeveelheid water die je in een handpalm kan houden")

Mensen tekenen

 
ze zeggen dat mensen de moeilijkste dingen om te tekenen zijn.
ik denk dat dat komt omdat er een groot verschil is
tussen dingen die altijd hetzelfde blijven en mensen.
het mooie aan stillevens is
dat ze niet moeten rijpen zoals mensen dat doen,
in een periode waarin je iets onhandigs bent
en lichaamsdelen hebt die alle kanten op groeien.
het mooie aan mensen is dat ze veranderen,
en dat potloodlijnen zoals wij oneindig verzinbaar zijn.

Gedachte bij een paniekaanval

 
ik denk dat ik dood ga.
dat de wereld zo bedreigend is
dat mijn hart uit mijn borstkas springt en weg rent
en mensen bij het oversteken omkijken, een oude vrouw met krullen
en een oude man met kale plekken waar de vrouw zich niet aan stoort:
er loopt een hart op straat.
 
ik weet dat het opmerkelijk is.
een hart is een orgaan dat bloed door een lichaam pompt.
als het geen lichaam meer heeft, wordt het een werkloos ding
met linker- en rechterventrikels die niemand kent
en aders die ongecontroleerd in leven blijven.
 
het is te warm om te rennen.
 
er snuffelen katten aan de kleppen.
er zijn mensen die dat bijzonder vinden.
ze wijzen en nemen hun telefoons uit de binnenzakken
van hun jassen om hun statussen op facebook bij te werken.
(voelt zich – opgetogen. zag net een loslopend hart
in de Gentse binnenstad.)
vind-ik-leuks: zestien.
 
een jongen wil een selfie nemen.
een journalist belt zijn redacteur.
van wie ben je, vraagt iemand want dat is nodig
om het verhaal geloofwaardig te maken.  
 
ik ben alleen –
– en ik denk dat ik dood ga.
 
het is moeilijk voor een hart om onopvallend te zijn,
omdat het machinaal pulseert en niet zoals mensen
kan beslissen om stil te staan.
ik ben bang dat ik uit mijn lijf barst.
 
aan de overkant van de straat wuift een appelboom.
de takken lijken op wegwijzers in het nakende warmte-onweer.
ik kruip in de bladeren, mijn ademhaling op acht Beaufort.
het stormt gekreukte gedachten die opgevouwen in de kast “Verwerkt” lagen.
de lucht ligt torenhoog op mijn schouders.
 
in de thoraxholte achter mijn borstbeen
zweeft een lege plek van twee vuisten groot.
ik voel nog steeds de afdrukken van mijn hart op mijn linkerlong.
ik wil alleen maar een knuffel
en jij die zonder ramptoerisme zegt
dat alles goed komt.
 
 

Vlinders

 
een kind zegt dat er vlinders in mijn buik zitten.
hoe weet je dat, vraag ik. ik zie het, zegt de jongen.
ik kijk naar beneden om na te gaan of er een voelspriet
door mijn navel prikt. acht opgevouwen vleugels
slapen als een middenrif tussen mijn borst- en buikholte.
hun achterlijven trillen bij elke uitademing.
 
doet het pijn, vraagt hij. ik denk het niet, zeg ik.
er hebben nog nooit vlinders in mijn buik gewoond.
ik denk dat het kriebelt als ze wakker worden.
we fluisteren. ik vraag me af of ze aan me vast zitten,
en of we dan samen oud zullen worden,
hun latente schubben verfrommeld als rimpels
in een gedateerde huid.
de antennes van insecten dragen gevoelige receptoren
die dienen om een geschikte partner te signaleren.
 
toen ik vannacht in spiegelbeeld naast haar lag,
kropen ze comfortabel tussen ons in.
ik denk aan hoe het was, met z’n vieren,
hoe haar lach, en mijn ogen, hoe haar handen
mijn lichaam stroomlijnden zoals chloorwater
in een zwembad bij vlinderslag, en hoe we dan
in zandlopervorm in slaap vielen, mijn vingers
gekruld in de golven van haar haren.
 
god, ik mis u.
 
ik zei dat ik mijn ribben voelde lachen.
de jongen zegt dat dat niet kan,
en dat sommige vlinders vensters in hun vleugels hebben.
ze lijken dan hun leven lang op fladderende herfstbladeren.
ik hoop dat ze nooit per vergissing in herbaria belanden,
naast vergankelijk gedroogde bloemen, hun pootjes wriemelend
op dubbelzijdige kleefband onder een kader met naam en toenaam.
 
wij houden niet van hokjes, vul ik aan. gewoon van elkaar.
 
het kind vraagt of ik stuifmeel heb.
ik denk het niet, zeg ik.
ik heb vanmorgen wel aardbeien gegeten.
ik heb de pitten uit de frambozen geplukt
en ze naar het licht gehouden.
er straalden roze stukken zon door.
dat vonden we een warme gedachte.
 
 

Er ligt een vrouw op de trein

 
er ligt een vrouw op de trein.
technisch gezien ligt ze niet óp de trein,
want dan zou ze op het dak liggen, maar erin.
niet voorovergebogen en niet in het gangpad.
ze ligt op zetels, een vierzit. niet op vier zetels, op twee.
ze ligt met haar hoofd op de armsteun en haar benen
opgevouwen tegen het raam omdat ze groot is,
ik kan niet precies zeggen hoe groot.
ze ziet er een beetje verfrommeld uit.
ik zou haar willen zeggen dat ik het andersom zou doen,
want dat een raam voor een mensenhoofd comfortabeler lijkt
dan een armsteun, maar ik doe het niet.
 
tegenover haar zit een man. hij zoent haar op de lippen,
dus ik neem aan dat het haar vriend is, of haar echtgenoot.
ik hoop het, want technisch gezien zou het niet mogen dat een man
een vrouw zoent zonder dat hij een liefdevolle relatie met haar heeft.
hij draagt een hemd waarvan de bovenste knopen open staan
en de onderste met alle moeite de stof over zijn buik bij elkaar houden.
ik ben bang dat hij over de vrouw valt als de trein remt.
ik zeg het niet.
 
op de grond kleeft het stickertje van een appel.
hij komt uit het buitenland, zoals ideeën dat ook zo vaak doen,
op de ruggen van mensen die oorlogen als visitekaartjes uitdelen.
het spijt me, zeg ik. een jongen vraagt waarom
en ik weet het zelf niet. zijn moeder zit twee banken verder.
het is stil in de trein.
 
de jongen tekent cirkels op een gerecycleerd papier.
ik denk aan hoe ik mezelf soms ook wil recycleren,
mijn onderdelen samengeperst tot tweedehandsformaat
en ik dan kon bepalen in welke vorm dat was.  
het kind staart naar buiten. het ziet dingen die volwassenen
verbeelding noemen. kijk, mama! zijn moeder zegt dat dat niet mag,
wijzen. dat dat onbeleefd is. en dat hij moet stoppen met wiebelen.
ik vraag me af waarom. ik begin ook met mijn benen te wiebelen.
ik hoop dat ik zo hard wiebel dat de lucht ervan gaat trillen
en de jongen omkijkt. ik stel me voor dat iedereen het doet,
een hele trein vol wiebelende mensen. maar ik zeg het niet.
 
een vriendin zei dat de stem die de aankomsten afroept
een programma is. niemand weet nog dat ze ooit een lichaam had.
voor mij was ze een verrekijker en een doos bekaasde boterhammen.
hoe om haar heen sudoku’s lagen en vuilgevlekte kranten,
aan de muur een prikkaart waar ze haar dromen op spijkerde.
de lichten van transport in de verte, en zij in een microfoon:
de trein naar Leuven komt zodadelijk aan op spoor drie.
hoe ze zich soms vergiste en verslikte in haar koffie.
 
er waait een papieren zak over het pad.
nu pas merk ik dat het raam open staat.
de conducteur waait ook naar binnen.
ik ben altijd zo blij als ik mijn ticket kan laten zien.
alsof ik daarmee bewijs dat ik het goed doe.
alsof ik überhaupt iets moet bewijzen.
 
er glijden bomen voorbij, hazelaars.
dat zijn bomen die bloeien als ze nog geen bladeren hebben.
de mannelijke bloemen schuilen in katjes en zijn al in de zomer
aanwezig in de oksels van de bladeren. de vrouwelijke bloemen
zitten met drie tot vier stuks in een knopje bij elkaar.
als ik een boom was, dan was ik een wintereik.
 
de geautomatiseerde stem zegt dat er een man
voor de trein ligt, in meeneemverpakking.
de mensen stoppen met wiebelen, ze vinden dat dat niet hoort.
het is nog stiller in de trein. ik ben bang dat het zo stil wordt
dat niemand straks nog weet hoe praten moet.
ik vraag me af of we dat nu wel weten, en of de man het wist.
de mensen denken aan zijn vrouw. ik aan de man.
hoe het leven voor hem op kaas met gaatjes leek
en hij eigenlijk voor, onder en naast de trein ligt.
wij hebben maar vijftien minuten vertraging.
 
 
Back to Top