We lopen uit de hand

 
we lopen uit de hand, zeg ik.
ja, zeg jij. zoals een ijsje in de zon.
we druppen op de grond in plakkerige bollen
en smelten tussen de straatstenen.
een hond loopt langs, hij snuffelt.
een kind zeurt om pistache met nootjes.
wij liggen af en toe te verdwijnen.
het is een klevende gedachte.

Lofdicht aan een schoolgebouw

 
het was een zomer die warm was, zoals zomers behoren te zijn.
op de dag van mijn afstuderen wandelde ik door het bos
omdat ik een enige keer iets wilde doen wat niet mocht.
ik werd er nerveus van, rebellie is ook maar
besteed aan de echte opposanten.
 
veel liever was ik de leerling die endorfine maakte op de voorste bank.
ik hield van nieuwe dingen leren en de oorzaak van het probleem
bestond eruit dat alles in de wereld op een andere manier
een zekere vorm van intrige vertoonde.   
 
Plato zegt dat mensen ideeën zijn.
 
men geloofde wel eens dat de school in al haar voegen wist hoe oud ze was.
ik voelde me dan geïntimideerd, alsof ik stapte op de rimpels
van een geleerde burcht en het glorieuze kraken van gebouwen.
de gangen fluisterden dat cultuur de mooiste vorm van verdwalen is.
ik herinner me de lokalen die op slaapvertrekken leken.
hoe ik dan dacht dat tijd zoiets als dromen was,
en wij de geschiedenis op witte papieren konden verzinnen.
het erfgoed tekende de contouren van verbeelding.
ze zeiden dat we leerden vliegen.
 
we waren vogels, ik een huismus. we broedden onze kennis
onder bruggen die leraren stoïcijns gebouwd hadden. ik vond dat
een mooi woord, stoïcijns, het deed me denken aan gemoedsrust.
we bladerden door de klassieke oudheid zoals reizigers door een atlas.
onze vingers trokken grenzen tussen versvoeten.
 
het landschap van het schoolgebouw
bracht ooit een hert naar de speelplaats.
 
een leerling was geen lijdend voorwerp.
we konden vragen stellen en zelfs de muren hadden antwoorden.
later bleken vraagstukken en hoofdletters relatief, toen gesprekken
ook in stilte getuigden van een grote dosis menselijkheid.
sommige dingen moeten alleen maar gevoeld worden.
 
als ik groot ben, word ik humanitair werker.
ik spreek de taal van tederheid. gelukkig zijn er leerkrachten
die weerloos bijna voedzaam en mussen de grootste trekvogels vinden.
 

Iets over Roodkapje

 
in het jaar waarin ik negen werd,
kruimelde het leven zo hard dat we er broodpudding van konden maken.
ik boterde een bakblik in en roerde tot de klonters verdwenen.
de oven zoemde toen we de krokussen hadden getekend.
ik opende de klep met grotemensenwanten,
we warmden onze handen aan de zoete winterlucht.
 
ik wilde de taart met rimpels versieren.
we plukten bloemen tussen de bomen
en wisten niet dat grootmoeders ook verwelken.
we waren meisjes met rode hoeden in een verhaal dat voorgelezen wordt.
 
onderweg verdwaalden we.
de verte kwam dichter, raakte onze neuzen,
werd een koffer die we moesten dragen om de weg te kunnen zien.
het donker knaagde het vlees van onze botten en het eten uit de mand.
 
er brandde licht in het huis dat een nest was.
we klopten op de deur, maar vroeger was te lang geleden
en de liefde herkende onze gezichten niet.
ik zocht de afgrond. we sleepten de nacht achter ons aan.
 
jaren later viel de zon op mijn hoofd.
ik trok mijn lichaam uit, slaakte een zucht
en legde mijn naakte ziel naast grootmoeder in bed.

Schotse momenten

 
toen ik in de paasvakantie alleen op reis ging en aankwam in Schotland,
wandelde ik door het grootste treinstation van Glasgow.
midden in de centrale hal stond een grote, houten balk
met aan vier kanten dezelfde analoge klok.
als de secondenaald de twaalf raakte,
versprong de lange wijzer een minuut,
alsof het leven altijd op hetzelfde ritme wegtikt.
aan de voet liepen de mensen de tijd voorbij.
 
veertig minuten van Glasgow lag Hamilton park.
ik zag er een eekhoorn, schapen, bruine runderen
en een oude vrouw met blauwe oogschaduw
die dansjes deed omdat ze nog nooit een toerist had ontmoet.
rond de middag klom ik in een eikenboom met dikke knoesten
om rozijnenboterhammen te eten en er was niemand die zag
hoe gelukkig ik was.
 
de volgende dag zat ik op de bus naar Loch Lomond,
een meer dat geboren was tussen de vlaktes en de hooglanden
waardoor niemand echt zeker wist waar het thuis hoorde.
ik had horen zeggen dat de avonden hier het mooist waren.
het water rimpelde op het oppervlak en weerspiegelde de zon
die langzaam verdween, alsof ze in de verte werd ingeslikt.
 
onderweg naar het meer passeerde de bus langs Levendale,
een dorp dat zo hard heuvelde dat het leek of we in een achtbaan zaten.
onder de bibliotheek was een autoparking.
er stond een bord van de gemeente
met een schuifbalk en twee vakjes, vrij en vol.
het was nog niet digitaal en ik vroeg me af of er dan iemand was
die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het balkje te verschuiven.
 
op maandag haastte een man zich naar het werk.
hij droeg een zwart kostuum, een grijze stropdas, geklede schoenen
en een hoed die aan de rechterkant een beetje deukte
omdat hij tegen het raam in slaap gevallen was.
terwijl hij bedrukt door de straten beende,
dronk hij geen koffie, maar caprisone met een rietje.
 
in Dundee dronk ik thee met een vrouw uit Japan.
op straat vond ik een stuk van zes centiemen.
dat hebben de Schotten ooit uitgevonden om kleine meisjes geluk te wensen.
je kreeg dan zo’n munt met het geboortejaar van je moeder op.
het is lang geleden dat ze mijn talisman werd.
 
de tweede week stapte ik het begin van de West Highland Way.
dat is een hele lange weg die start in Milngavie,
een stadje dat op een sprookje lijkt omdat er nog lantaarnpalen zijn
en de mensen zich schuifelend van de ene naar de andere plaats bewegen.
toen ik op de terugweg een stuk van de kaart wilde snijden,
klom ik door een modderpoel over een hek met horizontale stangen.
het was stil in het landschap.
vanachter een heuvel naderde een kudde wilde hooglanders.
ze kwamen loeiend dichterbij, tot een van hen het geluid
van mijn hartslag hoorde en we elkaar voorzichtig in de ogen keken.
er had nog nooit een koe aan mijn voeten gegrazen.
 
op het einde van de reis hielp ik zwangere schapen bevallen.
een tweeling stierf, een lam lag weerloos op een heuveltop.
het was koud die nacht.
de zon viel neer, de lucht kleurde marineblauw met witte sterren.
in mijn armen klonk het oorverdovend gemis
van een jong verstoten door haar moeder.
het rilde, bijna in morsecode,
alsof het alleen maar kon zeggen:
sommige dingen gaan niet goed.
zomaar, zonder dat je er iets uit kan leren.
 
 
 
 
 

Iets over de mist

 
het is ochtend en de mist omarmt ons.
een man wil uitstappen als de trein stopt.
kijk uit! roep ik, of je valt de wereld in.
we kunnen de grond naast ons niet meer zien.
of hij wel weet dat we door de wolken rijden.
 
de wind zuigt de mensen naar elkaar.
we proppen samen en worden een doos gedachten.
er is geen weg, die is er nooit geweest.
onze zorgen ontwaken, ze strekken zich uit.
 
een vrouw vindt dat het nacht is.
een man kijkt.
hij ziet zo weinig dat het alles wordt.
dat de wereld een warboel is, zegt iemand
maar zelfs daar zijn we niet zeker van.
laten we gewoon bestaan, besluiten we.
 
ik vraag de machinist waar hij heen rijdt.
we herkauwen het antwoord, onze monden gevuld met stilte.
we moeten de oplossing in de leegte zoeken.
we zijn potloodlijnen op een wit papier
en we kennen onze contouren niet.
 
dat is alles wat we weten.

Zwemgedachten

 
dit is een dag waarop niemand zegt dat we moeten gaan slapen.
we passeren studenten die regenplassen fotograferen.
ze kijken gefronst door de lenzen van hun professionele camera’s.
de mens bezit een groot talent tot ontwikkelen. 
 
ik zie een man in gedachten verzonken.
er zijn geen redders, alleen eenden
en wij die stilzwijgend onze gedachten in de modder rollen.
we willen vlekken met rimpels worden
in een meer dat daar eigenlijk te koud voor is.
 
de winter raast de krokussen achterna.
er is het geluid van wilde bloedstromen.
we vermommen onze lichamen in zwemkleding,
ik sla een handdoek om mijn onzekerheid.
 
het water is ontroostbaar omdat ik wens dat mijn lijf een broekpak was.
dat ik het aan een boom kon hangen,
mijn tenen achter de ene tak,
mijn armen zorgvuldig over een andere.
en ik dan keek hoe het daar wiebelde.
 
we rennen. de bodem schrikt even hard als wij.
we voelen geen water, jij zegt een muur van koude.
we denken dat dat komt omdat onze benen verkleumen.
ik wil dat de vijver mijn adem bevriest.
het zand op de oever prikt aan onze voeten.
 
soms denk ik dat ik van het leven hou.
we fietsen en smeren onze avonturen
op boterhammen met bessenconfituur.
en er is niemand die zegt dat we niet uit de pot mogen eten.
Back to Top