Leegte

 
aan de rand van niets en alles keek zij de diepte in.
we droegen de nacht op onze rug
en gooiden onze gedachten in de afgrond.
haar schouders waren vleugels die de jaren wilden vangen.
eindeloos is het warmste gevoel.
 
ze had de wereld naar buiten gerold, er een strik om gedaan,
de wolkenkrabbers gestolen omdat ze die zelf wel wilde plukken.
wat overbleef was leegte, de mooiste die we ooit hadden getekend.
 
het werd lente.
het verleden was een kledingstuk en ze hing het aan de waslijn.
ze klopte het af, streek de plooien glad, zag de maat van een leven dat ooit paste.
 
ze groeide, zo snel dat ze er hoogtevrees van kreeg.
we waren sterker en we zeiden dat we bomen werden,
onze wortels gevestigd in zekerheden.
ik knuffelde haar takken. ik plakte pleisters waar wonden barsten kerfden.
 
toen werd het zomer.
op een dag vouwde ze haar angst en legde hem in de angst.
ze vroeg: wil jij mijn nest zijn?

Terugdenken

 
als de dagen verjaren en maandag te snel morgen is,
zullen we onze onmacht naar de zee schreeuwen.
van mij! zal ik roepen, het lichaam is van mij!
en mijn tranen zullen druppels worden die de aarde voedsel geven.
 
toen de winter nog winter was, streelde het strand onze kwetsuren.
het was avond.
de wind blies korrels die mijn verdriet wilden polijsten,
maar ze schuurden te hard en er bleef niets van me over.
 
soms is verloren het mooiste gevoel.
 
we brullen en donderen tot onze pijn een dekbed wordt.
ik vertrouw je, zal ik fluisteren.
de golven rennen en we spreiden onze armen.
als het water terug zal zwemmen,
worden we een prachtige samenwerking.

Hem en haar II

 
ze hadden ruzie, de vrouw en de man.
ze vlogen elkaar in de haren omdat de man de vrouw niet had gezegd
dat zij voor hem geen ronde, maar een langwerpige rozijnenkoek
van de bakker moest meenemen en zij daarop met haar ogen had gerold
en hij was gaan roepen en had gevonden
dat ze dat intussen uit zichzelf wel mocht weten.
 
de bakker had alleen croissants.
onzin, vond hij.
 
dus was ze twee straten verder gefietst,
de bomen voorbij, de huizen, het postkantoor, de tramhalte,
de katten op de vensterbank, de bloemen in de potten die ooit wapens waren,
lang geleden, op oudejaarsavond.
 
haar gedachten waren ganzen die naar de zomer vlogen.
en het lichaam dat ze was, aan de toonbank van de Turkse bakker,
bestelde uit eigen beweging. haar vingers wezen rimpels in de zoete tarwelucht.
 
hij wachtte en keek haar knarsetandend aan.
 
ze spuwden woorden naar elkaar (en hij rozijnen).
ze zaaiden giftige letters in het leven
dat met stoffer en blik niet schoon te maken was.
de man en de vrouw bleven drie uren boos.
toen hadden ze er genoeg van.
 
ik hou van je, zegden ze.
en ze vlogen elkaar om de nek.

Koffie

 
in de koffie op de tafel verdronken we onze gedachten.
zwijgend klopte het verleden op de deur.
doe jij open?, vroeg ik.
het ontbijt verslikte zich in wat wij ook niet wilden zeggen.
 
dat we toch leven, vond zij en ze strompelde naar de ladekast.
op de bovenste plank nam ze een doofpot waar we onze stilte in bewaarden.
laten we zingen, zei ze en we zongen tot onze kelen hees werden.
 
we lieten onze zorgen sudderen op het gasvuur.
buiten vielen bladeren van de bomen en kastanjes op de grond.
soms is loslaten het mooiste wat er is, dacht de herfst.
 
en om de hoek wachtte de winter, groter en verder
dan we die ooit hadden geschilderd.

Ik wil vallen

 
ik wil vallen, zei de vrouw. maar dat is absurd! vond hij.
ik wil vallen en blijven liggen en dan weer rechtstaan.
maar hoe doe je dat?
gewoon, je valt. ben jij nog nooit gevallen?
ja, maar nooit op die manier.
zal ik het je uitleggen?
graag.
 
ooit voordat ze vrouw werd, was ze een meisje dat rende,
de wijzers van de klok voorbij. de verte was zo mooi dat ze haar voeten vergat.
hoe lang hebben we nog alle tijd van de wereld? snikte ze
en ze telde haar bestaan in lichtjaren.
het verleden bleef achter waar zij de toekomst wilde kussen.
wacht op mij! riep haar schaduw.
 
de grond waarop ze rende verstilde met haar passen.
ze struikelde en wenste dat ze deelbaar was,
zodat enkel haar benen zouden vallen en haar hoofd kon blijven rennen.
haar lichaam viel, tuimelde zonder zwaartekracht.
ze sloot haar ogen.
ik wil de tijd naar buiten jagen.
 
ze bleef liggen. en de verte werd nog mooier.
 
zo, zei hij.
zo.
zullen we samen vallen?

Oktoberavonden

 
ik wil gewoon alleen maar ik zijn, fluisterde ze
en ze keek naar buiten, de dageraad in.
hoog in de troposfeer verzamelden witte watten cumuluswolken,
dat zijn die die op schapen lijken, 
die zij zag maar niet voelde,
ver buiten de wereld die ze kende.
die winter was parelmoer een hoopvolle kleur.
 
we joegen samen het donker weg.

het dennenappelseizoen was lang voorbij.
we konden ons bestaan niet langer ontkennen.
ze was nog niet klaar, maar we deden alsof we beter wisten
en we bestonden tot we er moe van werden. 

mag ik op winterslaap?
ze struikelde over de stappen die ze zette. 

een beetje sterven is balanceren.
de ochtend duwde de zon omhoog;
we plooiden onze lichamen tot grote mensen.
kijk, ik leef! haar stem was dauw geworden. 
als ze sneeuw was, zou ze smelten. 

we timmerden een weg die zacht voelde.
dan, op een dag, proefde zij het leven.
ik wil een prachtige vrouw worden, zei ze.

en dat deed ze.
 
 
 
 
 
Back to Top