Oktoberavonden

 
ik wil gewoon alleen maar ik zijn, fluisterde ze
en ze keek naar buiten, de dageraad in.
hoog in de troposfeer verzamelden witte watten cumuluswolken,
dat zijn die die op schapen lijken, 
die zij zag maar niet voelde,
ver buiten de wereld die ze kende.
die winter was parelmoer een hoopvolle kleur.
 
we joegen samen het donker weg.

het dennenappelseizoen was lang voorbij.
we konden ons bestaan niet langer ontkennen.
ze was nog niet klaar, maar we deden alsof we beter wisten
en we bestonden tot we er moe van werden. 

mag ik op winterslaap?
ze struikelde over de stappen die ze zette. 

een beetje sterven is balanceren.
de ochtend duwde de zon omhoog;
we plooiden onze lichamen tot grote mensen.
kijk, ik leef! haar stem was dauw geworden. 
als ze sneeuw was, zou ze smelten. 

we timmerden een weg die zacht voelde.
dan, op een dag, proefde zij het leven.
ik wil een prachtige vrouw worden, zei ze.

en dat deed ze.
 
 
 
 
 

Hem en haar I

 
jij bent mijn mooiste achtergrond,
zoende ze haar telefoon en ze giechelde tot haar stem versleet.
hoe doe je dat, verliefd zijn? 
zij wist het niet. hij evenmin.
 
ze waren aan het leven en op een dag werden ze zo verliefd
dat de wind ervan ging liggen.
hun hoofden pasten als vlammen bij elkaar.
 
ik hoor je graag, zei ze. 
dus sloot ze haar ogen en ze luisterde
naar hoe zijn strottenhoofd de woorden vormde
waar zij zich in kon wentelen.
haar hart was een scheepskanon dat het zijne doorkliefde.
Back to Top