Er ligt verdriet op onze schouders

  
er ligt verdriet op onze schouders.
ik weet nog niet hoe zwaar het is
en in hoeveel stukken tranen kunnen breken
om zich te verdelen over drie tafels mensen.
misschien is het wel waar wat ze zeggen,
dat gedeeld verdriet daardoor minder weegt.
misschien is het tegelijk niet waar,
want last spreekt altijd een andere taal.
 
het gewicht van de regen is ook onmeetbaar.
het is herfst en de wind waait zalvend over onze wangen.
buiten dansen de takken op het ritme van de ochtend.
iemand zegt dat de appels te ver van de boom vielen.
 
er zijn stoelen die tevergeefs vier poten hebben.
ze wankelen omdat de grond onder onze voeten trilt
en hier en daar moerassig wordt.
de mensen wankelen ook; ze doen het onhoorbaar.
hun armen haperen in de lucht zodat het lijkt alsof ze vliegen.
wanneer ze vallen, breken ze door de wolken.
 
we gebruiken onze tranen als brandstof om stil te staan.
 
ze zeggen dat zij al aan het gemis
konden wennen toen het er nog niet was.
ik denk dat dat voelt zoals wat moeder zei,
dat je op voorhand moet eten voor de honger die komt
alsof we daarmee het knagen kunnen misleiden.
verdriet vreet hoe dan ook onvoorbereid.
 
we wiegen de verleden tijd van vandaag
en luisteren bedachtzaam naar de witregels.
er is iets rustgevends aan de dingen voelen. 

 
 

Bolsters

 
we zijn nog niet zo lang geleden geboren,
dacht ze toen we naar de avond keken.
het gras acupunctuurde in onze ruggen. 
ze zei dat ze bang was dat er een bolster op haar hoofd viel.
ik zei dat ik dat begreep.
 
ik zei dat ik niet wist dat het bolsters waren
en dat ik dat eigenlijk veel leuker vond. 
ze hingen mysterieus aan een boom, groene knobbels 
die we met half dichtgeknepen ogen konden wegblazen.
ik zei dat bang zijn misschien ook zo werkt. 
 
soms weet ik niet eens wat voelen is.
ze zeggen dat het op regenen lijkt
en dat stormen de dingen zuiveren 
en ik vraag me af wat er dan eerst was.
 
soms wil ik de aarde in mijn huid laten branden. 
 
ik was naar buiten gelopen en ik had haar niet gezien
omdat ze zoals het leven achter een muur was gaan staan.
mijn hart sprong zo hoog dat de oudste stenen scheurden. 
we aten maïswafels in stukken om over fragmenten te praten.
er was geen tijd geweest tussen reizen en werken. 
 
ik had die dag drie stenen gekocht. 
we luisterden naar wat de stilte te vertellen had
en speelden dat we in de knoop lagen.
er klonk het geluid van gelukkig zijn. 
onze armen grepen elkaar als strohalmen.
ik was de eerste die ontknoopt werd
toen ik nog verward wilde zijn.
 
we herschreven de regels van badminton
zodat we allemaal raketten werden. 
we sloegen onze verhalen over het net
tot ze gewichtloos in pluimen veranderden. 
er gleed een vliegtuig door de regen. 
 
later rolden we over het grasveld.
onze hoofden wankelden en ze fluisterde waarom ik gevallen was.
ik verpakte mijn antwoorden in de wolken om ze zachter te maken. 
we keken naar de lucht en hoe die tussen ons en de kosmos hing.
haar handen tekenden druppels van een onweer in de bergen;
ik had inderdaad nog nooit zoiets moois gehoord. 
 
ik denk dat ik weet hoe liefde voelt.  
het werd voorzichtig schemeravond;
de zon schilderde haar eigen ondergang. 
misschien zijn we allemaal wel groene knobbels 
en worden we alleen maar bolsters als we vruchten dragen.
ik wilde voor altijd blijven liggen. 
 
 
 
 
 
 

Dit is een lijst met mooie dingen

 
1. de geur van verse potloodschilfers;
2. de anatomie van een appelsienpartje;
3. de niet gesmolten chocola op de bodem van warme chocolademelk (dit is de reden waarom ik de mijne nooit oproer);
4. het schreeuwen van mensen die aan de rand van een meer staan, omgeven door naaldbomen;
5. de zacht- en hardheid van bijna gebakken koekjes;
6. een snotvalling en rode kaken in de winter;
7. boterbloemen op zomerhuiden;
8. de enorme verscheidenheid aan kleuren groen van bomen in de verte;
9. binnengeregende druppels op vensterbanken; 
10. de geur van schaafsel wanneer je hout zaagt; 
11. thee uit een gamel op de oever van een wilde rivier;
12. het knarsen van harde peren als je erin bijt;
13. grootmoeders en havermout;
14. het kabbelen van stromend water in de bergen;
15. de veranderlijkheid van zonsopgangen;
16. nieuwe voetstappen in verse, dikke sneeuw;
17. ochtendmist over lavendel- en klaproosvelden; 
18. de zacht- en hardheid van een getoaste boterham, en hoe boter smelt; 
19. oude bomen die op mensen lijken;
20. oude mensen die op bomen lijken;
21. kleine zwarte letters op een witte achtergrond;
22. diepe, zware snikken die heel je lichaam doen daveren en alles erachter schoonspoelen;
23. de nietigheid van zwemmen in een oceaan;
24. het escapisme in films met wilde mustangpaarden;
25. grote, stoffen zakdoeken;
26. het zien opbranden van lucifers.
 
 
 
 

Dampen

 
er is dat moment waarop je gesmolten chocolade giet
over iets wat net uit de diepvries komt.
de dampen die zich dan mengen, tegelijk koud en warm
maar niet van elkaar te onderscheiden;
dat is heel bijzonder.

De tijd

 
het gaat te snel; de tijd en opgroeien en groter worden en al.
gisteren nog wilde ik in de supermarkt
met mijn boodschappenkar door de gangen koersen
en roepen dat de grond water was
zodat alle klanten en rekkenvullers
op het fruit in de kar zouden springen
en ik iedereen van een gewisse dood had gered.
ik deed dat maar niet.
 
maar hij was er, de drang; hij was er.

Stil

 
het is stil.
 
nee, dat is het niet.
het is een feestdag en een man op de parking klikt de deur van zijn auto dicht.
er groeien dauwdruppels op pruimen die net uit de koelkast komen.
de wind hangt ergens geluidloos in de lucht.
beneden in het bos gaat een wilde hyacint dood.
er zijn mensen die luider ademhalen dan het zoemen van honingbijen.
ik smeet zonet mijn gedachten tegen de muur.
 
en toch is het oorverdovend stil.
 
Back to Top