Lente

 
het is lente en ze vraagt of ik al in bloei sta.
er klimmen blauweregens op de muur.
straks zal het zomer worden.
we zullen overal zakdoeken leggen
en de twistappels uit de bomen kijken.
we zaaien spruiten op het moederland.

Associaties

 
hij droeg een roodgeblokte hemdsbloes
alsof hij een houthakker was.
er werd die dag een vijgenboom geveld.
ik durfde sindsdien geen vruchten meer eten.
op de bladeren van vijgenbomen sterven
vrouwelijke galwespen om zich voort te planten.
tegenwoordig is hij zwaarder dan toen.
ik word nog elke keer gestoken.
 

Maneschijn

 
als ze lacht, 
moet ik denken aan de maan
en hoe die ook maar hangt te schijnen
en hoe mooi ik dat vind. 
ik zou haar willen zeggen 
dat ik altijd zo droevig word van maansverduisteringen, 
en dat ik de aarde dan het liefst uit de weg wil rollen.
in een stofwolk op het oppervlak werd ooit water ontdekt.
ook jij mag huilen, zeg ik zacht. 

H.

 
er zijn teveel mensen die bij zonsopgang verdwijnen
omdat het daglicht pijn doet aan hun ogen.
's nachts huilden ze naar de maan
die te ver in de kosmos hing om nieuwe energie te brengen.
er is een planeet die 27 manen heeft, zei ik hem.
hij zweeg in alle talen die hij sprak
tot zijn stem moe was van het rusten 
en zijn stilte schreeuwde aan de ontbijttafel. 

Dingen waaraan ik denk in bad

 
1.
ik lig in bed.
ik lig met mijn benen tegen de muur omdat ik dat leuk vind. 
ik nam vanavond een bad met zout uit de Himalaya,
want dat schijnt goed te zijn voor stijve spieren.
als je jezelf helemaal onder water dompelt, tot je oren toe,
hoor je het tikken van je huid tegen de badkuip.
 
2.
ik zag wolken met een slagroomrandje 
en een zwaan die in het midden van de rivier zwom;
het water erachter rimpelde symmetrisch. 
 
3.
ik pelde kastanjes onder een bolsterboom. 
terwijl we praatten, bekogelde de wind onze hoofden.
er kroop een worm uit de vrucht;
ik zei dat ik soms ook kronkelde.
 
4.
de zon had zich van seizoen vergist.
we wandelden door purperen velden
en zagen ochtenddauw op paardebloemen. 
we plasten achter bomen tussen dennenappels.
onze voeten slenterden versleten achter ons aan. 
een spinnenweb met druppels leek op een dromenvanger.
 
5. 
ik ben het soort moe dat je goed doet slapen.
vorige week scheurde ik tot ik bijna een ravijn werd.
zoals de Grand Canyon, zei hij. 
die ontstond toen de zeebodem omhoog rees
en het water van de Colorado het land erodeerde.  
misschien werkt huilen ook wel zo,
doen tranen slijten wat op rotsen lijkt. 
 
6.
ik las mijn Poeh-boekje uit en ik werd daar Heel Gelukkig van.
het ruikt nog naar de vorige eeuw; een beetje zoals
donkerrode dekens in oude tractorschuren.
 
7.
het is lang geleden dat ik soep gegeten heb.
de laatste keer aten we kervelsoep en zij ook, schreef ze.
ik vind haar soep nog steeds de lekkerste.
ooit maakte ze er met wortel en pastinaak en ze dacht
dat er teveel peper in zat, maar ik vond ze perfect.
ik hoop dat ze altijd soep blijft maken.
ik denk het wel.
 
8.
er is een vrouw wiens gezicht op een volle maan lijkt.
de tijd heeft kraters in haar voorhoofd getekend. 
haar sproeten zijn vlekken in een bleek gelaat.
ik vraag me af of ik, als ik haar nog eens zie, 
opnieuw aan de maan zal denken.
en of ik, als ik de maan zie, 
aan haar zal denken.
 
9.
de appels in de tuin zijn de eerste symptomen van de herfst.
er zijn mensen die overal zakdoeken leggen. 
morgen plant ik een bos van gevallen bladeren. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Er ligt verdriet op onze schouders

  
er ligt verdriet op onze schouders.
ik weet nog niet hoe zwaar het is
en in hoeveel stukken tranen kunnen breken
om zich te verdelen over drie tafels mensen.
misschien is het wel waar wat ze zeggen,
dat gedeeld verdriet daardoor minder weegt.
misschien is het tegelijk niet waar,
want last spreekt altijd een andere taal.
 
het gewicht van de regen is ook onmeetbaar.
het is herfst en de wind waait zalvend over onze wangen.
buiten dansen de takken op het ritme van de ochtend.
iemand zegt dat de appels te ver van de boom vielen.
 
er zijn stoelen die tevergeefs vier poten hebben.
ze wankelen omdat de grond onder onze voeten trilt
en hier en daar moerassig wordt.
de mensen wankelen ook; ze doen het onhoorbaar.
hun armen haperen in de lucht zodat het lijkt alsof ze vliegen.
wanneer ze vallen, breken ze door de wolken.
 
we gebruiken onze tranen als brandstof om stil te staan.
 
ze zeggen dat zij al aan het gemis
konden wennen toen het er nog niet was.
ik denk dat dat voelt zoals wat moeder zei,
dat je op voorhand moet eten voor de honger die komt
alsof we daarmee het knagen kunnen misleiden.
verdriet vreet hoe dan ook onvoorbereid.
 
we wiegen de verleden tijd van vandaag
en luisteren bedachtzaam naar de witregels.
er is iets rustgevends aan de dingen voelen. 

 
 
Back to Top